SenterNovem heet nu Agentschap NL.
Deze website wordt in de loop van 2010 aangepast aan de Rijkshuisstijl.

top afbeelding
SenterNovem

FAQ

Hieronder vindt u de antwoorden op veel gestelde vragen. Klik hier voor veelgestelde vragen en antwoorden op het gebied van Afval over de grens

  1. Hoe moet een gemeente omgaan met de afvalinzameling bij vakantiehuisjes?
  2. Wat betekent het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) voor de vergunningverlening?
  3. Over welke afvalstromen bevat het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) wel / geen beleid?
  4. Hebben apothekers die klein chemisch afval (KCA) ontvangen een vergunning nodig?
  5. Wat is de maximale afstand van iemands huis tot aan de afvalinzamelcontainer?
  6. Wat moet je doen met het kadaver van een dier?
  7. Mag Klein Gevaarlijk Afval (KGA) met de chemokar worden ingezameld?
  8. Mogen kerstbomen in het openbaar verbrand worden?
  9. Wat kun je doen aan vuurwerkafval?
  10. Kan een gemeente met een diftarsysteem inwoners met extra veel afval door medische omstandigheden compenseren?
  11. Is een gemeente verplicht om grof huishoudelijk afval aan huis in te zamelen?
  12. Wat houdt het Besluit inzamelen afvalstoffen in?
  13. Wat is bronscheiding en wat is nascheiding van huishoudelijk afval?
  14. Wat betekent de regelgeving voor elektr(on)ische apparatuur voor gemeenten?
  15. Wat is er met de wijziging van 2005 in het Ivb milieubeheer veranderd?
  16. Mag een gemeente een bedrijf verplichten oud papier af te geven aan een bepaalde inzamelaar?
  17. Wat zegt de afvalregelgeving over het exporteren van gebruikte kleding?
  18. Moet bermmaaisel afgevoerd worden naar een composteerinrichting of mag het ook worden toegepast op het aangrenzende land?
  19. Het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton en de verpakkingenbelasting; wat betekent dat voor het bedrijfsleven?
  20. Wanneer is een auto aan te merken als een autowrak, en daarmee een afvalstof?
  21. Wat is de RoHS?
  22. Mag ik CD-Rom’s en cartridges als restafval afvoeren?
  23. Levert afvalscheiding een bijdrage aan CO2-reductie?
  24. Kunnen grensoverschrijdende afvaltransporten ook elektronisch gemeld worden?
  25. Klopt het dat het logo voor klein chemisch afval (kca) is afgeschaft?
  26. Wat verandert er voor opslag en be- en verwerking van afvalstoffen met het nieuwe Activiteitenbesluit?
  27. Wat is er in november 2008 veranderd in de Wet milieubeheer voor afvalstoffen?
  28. Hoe kan ik als gemeente het meest succesvol oud papier inzamelen?
  29. Doorgaan of stoppen met de duobak?
  30. Wat zijn de nieuwe regels voor batterijen en accu’s sinds 2008?
  31. Wat verandert er met het tweede LAP in de scheidingsdoelstellingen voor huishoudelijk afval?
  32. Wat doet de overheid om het beschikbaar stellen / het gebruik van plastic tasjes terug te dringen?
  33. Mag ik mijn eigen afvalhout verbranden in een houtkachel?
  34. Wordt de 'Wet milieubeheer-vergunning voor bepaalde termijn' voor afvalbe- en verwerkende inrichtingen afgeschaft?
  35. Hoeveel huishoudelijk afval produceren we jaarlijks en hoeveel daarvan is nog herbruikbaar?
  36. Zijn afgedankte televisies (gevaarlijk) afval?
1. Hoe moet een gemeente omgaan met de afvalinzameling bij vakantiehuisjes?

Globaal kunnen zich twee situaties voordoen. 

Bedrijfsafval 
Gaat het bij de vakantiehuisjes om een inrichting, dan is het vrijkomende afval bedrijfsafval. Er is sprake van een inrichting zodra er een organisatorische samenhang is. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer het gaat om een vakantiehuisjespark of als er voor de huisjes veel gezamenlijk is geregeld. Bij huisjes die vaak worden verhuurd, is dit vrijwel altijd het geval. De aanwezigheid van gastanks e.d. maakt een huisjespark ook al snel tot een inrichting. De verantwoordelijkheid voor de verwijdering van bedrijfsafval ligt in dat geval bij de eigenaar van de huisjes. De regels die hiervoor gelden staan in het Activiteitenbesluit. De gemeente kan hierop handhaven.

Huishoudelijk afval
Gaat het bij de vakantiehuisjes niet om een inrichting, dan is het vrijkomende afval huishoudelijk afval. Omdat er regelmatig bij de huizen huishoudelijk afval vrijkomt op het perceel, kan de gemeente een afvalstoffenheffing opleggen. De eigenaar kan hiertegen bezwaar maken. Hij moet dan zelf aantonen dat het huishoudelijk afval niet regelmatig vrijkomt. De eigenaar moet er wel rekening mee houden, dat als hij het bezwaar wint, en er dus geen sprake is van huishoudelijk afval, de eigenaar weer verantwoordelijk wordt voor de afvalverwerking en zelf een inzamelaar moet regelen.
In sommige gevallen kan de eis om huishoudelijk afval in te zamelen onredelijk zijn (bijvoorbeeld wanneer de huisjes vrijwel onbereikbaar zijn). In dat geval biedt de Wet milieubeheer een mogelijkheid voor de gemeenteraad om te beslissen dat op een deel van het grondgebied niet of met een andere regelmaat wordt ingezameld. Dit is gebaseerd op artikel 10.26, lid 1c van de Wet milieubeheer. Hieraan zijn overigens aparte regels verbonden (zie Wm 10.26, lid 2,3 en 4 en Wm 10.27). 

Naar boven
2. Wat betekent het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) voor de vergunningverlening?

Op basis van artikel 10.14 van de Wet milieubeheer dient de provinciale en gemeentelijke vergunningverlener 'rekening te houden met het geldende afvalbeheersplan'. Dit houdt in dat de vergunningverlener uit moet gaan van wat in het LAP is vermeld. Wanneer de vergunningverlener wil afwijken van het LAP, moet de procedure worden gevolgd die in het LAP is beschreven. Het voormalige AOO heeft een handleiding voor de vergunningverleners opgesteld. 

Naar boven
3. Over welke afvalstromen bevat het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) wel / geen beleid?

Het LAP is bedoeld voor alle afvalstromen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Niet onder de reikwijdte van het LAP vallen

  1. radioactief afval 
  2. baggerspecie 
  3. mestoverschotten 
  4. destructieafval 
  5. communaal afvalwater (rioolwater).          

Voor deze afvalstoffen zijn er specifieke wet- en regelgeving en beleidsdocumenten. Deze beleidsstukken staan vermeld in paragraaf 3.3 van het beleidskader (deel 1) van het LAP.
Er is inmiddels begonnen met de voorbereidingen voor een nieuw LAP dat uiterlijk in maart 2009 in werking moet treden. Meer informatie vind u op deze pagina.  

Naar boven
4. Hebben apothekers die klein chemisch afval (KCA) ontvangen een vergunning nodig?

Inzamelvergunning
Apothekers hebben voor de inname van de afvalstoffen geen inzamelvergunning van de gemeente nodig. Apothekers (en andere detaillisten) die burgers in staat stellen afgedankte producten achter te laten in de winkel, zijn namelijk geen inzamelaars van afvalstoffen. Er is alleen sprake van afgifte van afvalstoffen door de burger, en niet van inzameling bij de burger. 
Ook is er geen sprake van gevaarlijk afval. Met behulp van de Handreiking Europese afvalstoffenlijst (Eural) kan bepaald worden of afval gevaarlijk is of niet. 
Afvalstoffen die afkomstig zijn van particulieren, zijn genoemd in subhoofdstuk 20 01 van de Eural. De afvalstoffen van dit subhoofdstuk kunnen pas gevaarlijk afval worden nadat ze zijn ingezameld. De titel van het subhoofdstuk is namelijk 'gescheiden ingezamelde fracties'. En omdat de afvalstoffen die een particulier in de winkel afgeeft dus (nog) niet zijn ingezameld, heeft de detaillist geen gevaarlijk afval in de winkel. 

Vergunningplicht voor inrichtingen
Detaillisten die voorheen onder de reikwijdte vielen van het 'Besluit detailhandel & ambachtsbedrijven milieubeheer', vallen nu onder het Activiteitenbesluit. Inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor inrichtingen. Volgens het Activiteitenbesluit mogen detaillisten tot 35m3 afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig zijn opslaan.

Bewaren van afvalstoffen
De detaillist moet de ingenomen afvalstoffen gescheiden houden en zodanig opslaan dat er geen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Dit kan via de speciaal daarvoor bestemde innametonnen en -boxen.
Zie voor meer informatie over de inname van wit- en bruingoed en van klein chemisch afval door detaillisten het artikel 'Innemende detaillisten, wie kent ze niet' in de publicatie Afval Informatief 2002-3 of raadpleeg de Handreiking kca

Naar boven
5. Wat is de maximale afstand van iemands huis tot aan de afvalinzamelcontainer?

Dit werd voorgeschreven in de 'Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel'. Maar met de wijziging van artikel 10.26 van de Wet Milieubeheer in november 2008 is deze regeling komen te vervallen. De regeling stelde een maximale afstand tussen perceel en inzamelvoorziening van 75 meter, waarbij de gemeente bij de verordening kon bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter. 
Nu is het dus bevoegdheid van de gemeente geworden om deze afstand te bepalen.

Naar boven
6. Wat moet je doen met het kadaver van een dier?

Niet bij het gft!
Veel mensen denken dat het kadaver van een klein dier, zoals een vogel of knaagdier, bij het gft-afval mag. Maar in verband met de mogelijke verspreiding van ziekten, is dit niet het geval. Deze kadavers vallen onder het restafval (hierop kunnen gemeenten op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening handhaven). 
Overigens, als het gaat om etensresten, mogen kleine hoeveelheden bereid of onbereid vlees en vis wel bij het gft-afval; aangeraden wordt deze eerst in een krant te wikkelen.

Dode huisdieren mogen worden afgegeven bij een dierenkliniek.
Een eigenaar van een dode hond of kat mag deze ook op eigen grond begraven. Honden en katten mogen ook op een gemeentelijke dierenbegraafplaats worden begraven of in een dierencrematorium worden gecremeerd.

Op de weg overreden huisdieren en wild worden geregistreerd. In de meeste gemeenten zorgt de dierenambulance voor aangereden huisdieren en wilde dieren. Kadavers van overreden wild worden, afhankelijk van de locatie waar deze zijn gevonden, door de gemeente of Rijkswaterstaat verwijderd. Kleine kadavers mogen in dichte bebossing worden gedeponeerd. Kadavers die groter zijn dan een konijn vallen onder de Destructiewet en moeten op een speciale manier worden afgevoerd en verwerkt. Gemeenten moeten toegang hebben tot een destructiedepot waar kadavers opgeslagen worden. Dit mag het depot van een andere gemeente zijn, maar het kan ook ondergebracht zijn bij een dierenkliniek. Een destructiebedrijf haalt de kadavers van het depot op en verwerkt deze volgens de eisen van de Destructiewet. 

Naar boven
7. Mag Klein Gevaarlijk Afval (KGA) met de chemokar worden ingezameld?

Onder KGA wordt verstaan kleine hoeveelheden gevaarlijk afval niet afkomstig van huishoudens. Klein Chemisch Afval afkomstig van huishoudens heet KCA. 
KGA zijn alle afvalstoffen die op basis van de Eural (Europese afvalstoffenlijst) zijn aangewezen als gevaarlijke afvalstoffen in kleine hoeveelheden. Onder kleine hoeveelheden wordt verstaan: minder dan 200 kg per afvalstof per afgifte.
Voor zes stromen van het KGA geldt op grond van het Besluit inzamelen afvalstoffen een inzamelvergunningplicht. Kijk voor meer informatie hier
Een verantwoorde inzameling en verwerking van deze zes stromen KGA is alleen mogelijk als het aantal inzamelaars beperkt blijft. Daarom wordt ook maar een beperkt aantal vergunningen verstrekt. Momenteel zijn er in Nederland elf vergunninghouders. In de praktijk is het zo dat de meeste inzamelaars die afval met de chemokar inzamelen vergunninghouder zijn. Voor het inzamelen van het overige KGA (de andere stromen dan de zes) is geen specifieke inzamelvergunning nodig, maar de inzamelaar moet wel op een lijst van afvalinzamelaars staan (de VIHB-lijst, zie www.niwo.nl).
Gemeenten hebben overigens alleen een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijk Klein Chemisch Afval (KCA). Zij kunnen daarom zelf bepalen of de chemokar ook het KGA accepteert en zo ja, tegen welk tarief.

Chemokarregeling
Op het inzamelen van afval met de chemokar is ook de Regeling Vervoer Huishoudelijk Gevaarlijk Afval 2004 (chemokarregeling) van toepassing. Deze regeling stelt expliciet dat KGA (in de regeling: 'huishoudelijk gevaarlijk afval afkomstig van bedrijven') met een chemokar mag worden ingezameld. Wat betreft de aan te bieden hoeveelheid KGA stelt de regeling een maximum. Per inzameling mag een bedrijf niet meer dan één kga-box van 60 liter aanbieden.
De chemokarregeling valt onder het Ministerie van Verkeer & Waterstaat en is gepubliceerd in de Staatscourant, nr. 19 van 2004. 

Naar boven
8. Mogen kerstbomen in het openbaar verbrand worden?

Bij het verbranden van afvalstoffen komen schadelijke stoffen in het milieu terecht. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan dioxine en paks. De verbranding van afval in de open lucht heeft een te lage verbrandingstemperatuur om tot een volledige verbranding te leiden, wat tot gevolg heeft dat er onnodig veel en ongewenste verbrandingsresten ontstaan. Bovendien kunnen er klachten komen van omwonenden. 
Artikel 10.2 van de Wet milieubeheer verbiedt het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Artikel 10.63 van deze wet biedt echter Burgemeester & Wethouders de mogelijkheid ontheffing te verlenen van dit stookverbod, voor zover het tenminste geen gevaarlijke afvalstoffen betreft en indien het belang van de bescherming van het milieu zich er niet tegen verzet.
Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de ontheffing kan worden verleend voor vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren, en andere traditionele jaarlijks terugkerende vuurfeesten.
Aan de ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals voorschriften dat: 

  • het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving (en het verkeer)
  • er een maximale grootte wordt gesteld aan het vuur (150m³ i.v.m. Beheersbaarheidsnorm brandweer)
  • er alleen bepaalde afvalstoffen (kerstbomen; onbehandeld hout) mogen worden verbrand of dat geen andere afvalstoffen mee mogen worden verbrand (zoals huishoudelijk afval of banden)
  • de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend aanwezig moet zijn en zorg dient te dragen voor een goed brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt, of het bevoegd gezag aanwezig is
  • verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde afstand tot bouwwerken
  • er bodembeschermende maatregelen genomen zijn (bijvoorbeeld betonplaten)
  • de afdeling milieuzaken of de brandweer ten minste één uur voor de verbranding telefonisch moet worden geïnformeerd
  • de verbranding niet mag plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopgang
  • bij mist of te sterke wind geen verbranding wordt toegestaan.         

In de Model-APV (Algemene Plaatselijke Verordening) van de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten) regelt artikel 5.5.1. het 'Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken'. 

Naar boven
9. Wat kun je doen aan vuurwerkafval?

Vuurwerkafval is gevaarlijk. Maar liefst één op de vijf vuurwerkongelukken gebeurt op Nieuwjaarsdag. Vooral kleine kinderen gaan dan op zoek naar niet afgegaan vuurwerk, dat ze opnieuw aansteken. Weigeraars ontploffen meestal meteen, met alle dramatische gevolgen van dien. Als het heeft geregend, is dat gevaar minder groot, maar kunnen mensen uitglijden over de natte (rode) papier- en kartonpulp. En het ziet er natuurlijk niet schoon uit. 
Elk jaar voert de overheid campagne voor het veilig gebruik van vuurwerk. 
In 2007 en 2008 waren er landelijke campagnes tegen zwerfafval dat wordt veroorzaakt door vuurwerk. Gemeenten konden hier op inhaken, via de webwinkel van de site van het Impulsprogramma Zwerfafval. Materiaal voor de campagne werd kosteloos ter beschikking gesteld. 

Naar boven
10. Kan een gemeente met een diftarsysteem inwoners met extra veel afval door medische omstandigheden compenseren?

Sommige mensen produceren meer afval om medische redenen. Meestal gaat het om incontinentiemateriaal en stoma-afval. In gemeenten met diftar kunnen deze burgers geconfronteerd worden met extra kosten wanneer het afval per kilogram moet worden betaald, of wanneer een extra container of veel 'dure' afvalzakken worden gebruikt. Gemeenten mogen dergelijke inwoners tegemoet komen in de kosten, echter dit mag niet het karakter hebben van inkomensbeleid. Dit betekent dat gemeenten gederfde inkomsten vanwege dergelijke tegemoetkomingen niet mogen verhalen door een hoger tarief in rekening te brengen bij andere inwoners.
Lokaal hebben gemeenten verschillende oplossingen bedacht om inwoners met veel afval vanwege medische oorzaken tegemoet te komen. Vaak wordt er gevraagd om een medische verklaring. 

  • In Urk wordt gratis een extra afvalcontainer ter beschikking gesteld die tegen het normale tarief wordt geleegd. Bewoners kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten via de Wet Voorzieningen Gehandicapten. 
  • In Geldrop-Mierlo kan incontinentiemateriaal bij het restafval worden gedeponeerd. Voor een extra container is een medische verklaring van de behandelend specialist nodig. Die is ook nodig bij het terugvorderen van de afvalstoffenheffing van de gemeente. 
  • Bernheze past een kilocorrectie toe voor inwoners die in aanmerking komen voor de speciale regeling die de nadelige effecten van het extra medisch afval compenseert. Op jaarbasis geldt een maximale korting van 400 kg. 
  • In Sittard-Geleen kunnen mensen met extra afval door ziekte of handicap een tegemoetkoming krijgen, in hoogte afhankelijk van het type aandoening. 
  • In Maastricht worden extra restzakken verstrekt aan inwoners met een medische indicatie. Mensen met een incontinentieprobleem krijgen de gratis zakken via de apotheek. Mensen met een handicap of andere medische indicatie kunnen zich melden bij het lokale Platform Gehandicaptenbeleid. 
  • Inwoners van Helmond die een artsenverklaring overleggen, krijgen een 240-liter container tegen het basistarief dat normaal geldt voor een 140-literbak.           
Naar boven
11. Is een gemeente verplicht om grof huishoudelijk afval aan huis in te zamelen?

Ja, dit is een wettelijke gemeentelijke zorgplicht.
In overeenstemming met artikel 22, lid 1a, van de Wet milieubeheer is elke gemeente verplicht om grof huisvuil aan huis in te zamelen. Daarnaast dient de gemeente er voor te zorgen dat er voor huishoudens ten minste één brengvoorziening voor grof huisvuil is (artikel 22, lid 1b).
Deze verplichting geldt voor alle grove huishoudelijke afvalstoffen, ongeacht de hoeveelheden waarin deze vrijkomen. In artikel 10.22 lid 2 is aangegeven dat bij AMvB kan worden bepaald dat de zorgplicht geheel of gedeeltelijk buiten toepassing wordt verklaard voor bepaalde categorieën van grof huisvuil indien deze in grote hoeveelheden vrijkomen of een bepaalde omvang hebben. De minister van VROM heeft nog geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een dergelijke AMvB op te stellen en dit is ook niet in de planning.

Wet milieubeheer, artikel 10.22

  1. Elke gemeente draagt er zorg voor:
    a. dat grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen ontstaan, en
    b. dat er op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om grove huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.
  2. In het belang van een doelmatig beheer van grove huishoudelijke afvalstoffen kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het eerste lid geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft met betrekking tot bij de maatregel aangegeven categorieën van grove huishoudelijke afvalstoffen, al dan niet voor zover deze vrijkomen in een hoeveelheid of een omvang die, of een gewicht dat groter is dan bij de maatregel is aangegeven.          

Invulling zorgplicht door gemeenten
Gemeenten zijn dus verplicht grof huisvuil in te zamelen, ongeacht de hoeveelheid en omvang, en zowel een haal- als een brengsysteem te hebben voor de inzameling. Verder heeft de gemeente een grote vrijheid bij de invulling van deze zorgplicht. Dat wil zeggen dat gemeenten niet gebonden zijn aan regels ten aanzien van inzamelfrequentie en in rekening te brengen inzamelkosten.
Uiteraard geven gemeenten de voorkeur aan een praktijk waarbij de burgers het grof huishoudelijk afval komen brengen naar de milieustraat. Niet alleen is dit voor gemeenten goedkoper, maar dit biedt ook meer mogelijkheden om het afval te scheiden. Met de landelijke introductie van volwaardige milieustraten gaan steeds meer gemeenten daarom over tot een minimale invulling van het haalsysteem. Uiteraard mag een gemeente het brengen naar de milieustraat door de burgers stimuleren, maar de vraag is hoever een gemeente mag gaan om dit te vragen. Wanneer wordt nog aan de wettelijke haalplicht voldaan? Het onaantrekkelijk maken van het haalsysteem kan niet zover gaan dat de laagdrempeligheid van de haalstructuur in het geding komt. Men moet rekening houden met mensen die slecht ter been zijn (invaliden, bejaarden) of niet over eigen vervoer beschikken. 

Lees hier meer over de rol van de gemeente als inzamelaar

Naar boven
12. Wat houdt het Besluit inzamelen afvalstoffen in?

Sinds 1 mei 2004 is het Besluit inzamelen afvalstoffen van kracht en zijn vervoerders, inzamelaars, handelaars en bemiddelaars (VIHB-ers) van bedrijfsafval en gevaarlijk afval verplicht zich te laten registreren op een landelijke lijst (de VIHB-lijst). De landelijke lijst heeft de twaalf provinciale lijsten van inzamelaars vervangen. Aanvragen voor vermelding op de lijst kunnen bij NIWO (Stichting Nationale en Internationale Wegvervoer Organisatie) worden ingediend (link maken naar), zie www.niwo.nl

Alleen VIHB'ers die vermeld staan op de lijst mogen bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen en/of ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen (die op grond van artikel 10.36 van de Wet milieubeheer zijn gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen) vervoeren, inzamelen, verhandelen of er in bemiddelen. Voor vermelding op de lijst moeten zij aantonen dat ze voldoen aan criteria ten aanzien van betrouwbaarheid, kredietwaardigheid en vakbekwaamheid. Deze criteria zijn opgenomen in de Regeling inzamelaars, vervoerders, handelaars en bemiddelaars van afvalstoffen en ook terug te vinden op de site van NIWO. 

Inzamelvergunningplicht
Voor het inzamelen van drie afvalstromen is een VIHB-registratie niet voldoende, maar is een speciale inzamelvergunning noodzakelijk. Het gaat om:

  • afgewerkte smeer- of systeemolie 
  • klein gevaarlijk afval 
  • scheepsafvalstoffen.         

Meer informatie over de speciale inzamelvergunningen vindt u hier

Inzamelvergunningen voor olie-slib-watermengsels en voor specifiek ziekenhuisafval zijn met de inwerkingtreding van het Besluit inzamelen afvalstoffen vervallen. Bedrijven die zich bezighouden met het inzamelen van deze afvalstromen moeten wel vermeld zijn op de VIHB-lijst.

Meer informatie over inzamelen van afval vindt u ook op de site van het Ministerie van VROM.

Naar boven
13. Wat is bronscheiding en wat is nascheiding van huishoudelijk afval?

Bronscheiding
Bronscheiding gebeurt als de ontdoener de verschillende soorten afval uit het huishoudelijk afval (HHA) en grof huishoudelijk afval (GHA) zelf gescheiden aanbiedt. Daarbij gaat het zowel om haal- als brengsystemen. 

Als gemeenten op de werf of milieustraat grof huishoudelijk afval scheiden in verschillende soorten afval en dit vervolgens opgeven als gescheiden ingezameld afval, wordt dit afval wel gerekend tot de bronscheiding. 

Nascheiding
Nascheiding is het scheiden (in een installatie) van ingezameld huishoudelijk en grof huishoudelijk afval in verschillende afvalsoorten. Het belangrijkste doel is het sorteren van afval dat als materiaal of brandstof nog nuttig kan worden toegepast. Te denken valt dan aan metalen en papier/plastic. De rest wordt dan alsnog verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie. 

Uitsorteren 
Uitsorteren is het met de hand verder uitsplitsen van ingezameld afval zoals dat vaak in opdracht van gemeenten door kringloopbedrijven gebeurt. Dit gebeurt vooral met grof huishoudelijk afval.

Monitoring
Uitvoering Afvalbeheer monitort de gescheiden inzameling van het huishoudelijk afval, de kosten en de organisatie van de inzameling in gemeenten.
In Kijk en Vergelijk op deze site kunnen de inzamelresultaten per gemeente en de hoogte van de inzamelkosten van een gemeente vergeleken worden met andere gemeenten, provincies, stedelijkheidsklassen en het landelijk gemiddelde. Klik hier om Kijk en Vergelijk te openen.

Naar boven
14. Wat betekent de regelgeving voor elektr(on)ische apparatuur voor gemeenten?

De Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur kent de volgende verplichtingen voor gemeenten:

  • In de afvalstoffenverordening moet geregeld worden dat gemeenten zorg dragen voor de gescheiden inzameling van afgedankte apparatuur bij particuliere huishoudens. 
    Overigens is de gemeente (op grond van artikel 10.21 Wet milieubeheer) alleen verantwoordelijk voor de inzameling (ophalen) van afgedankte apparatuur bij particuliere huishoudens. Deze haalplicht geldt niet voor apparatuur die wordt afgedankt door bedrijven, kantoren, scholen en andere instellingen, ook niet als de apparatuur naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met die van particuliere huishoudens.
  • Gemeenten moeten er zorg voor dragen dat er op ten minste één plaats binnen de gemeente (of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt) voldoende gelegenheid wordt geboden voor houders en distributeurs (o.a. detaillisten) om afgedankte apparatuur van particuliere huishoudens gratis achter te laten. Het gaat hier om een brengvoorziening. Niet alleen particulieren, maar ook scholen, bedrijven, instellingen en andere niet-particuliere ontdoeners moeten hier in bepaalde gevallen hun afgedankte apparatuur gratis kunnen afgeven. De gemeente is verplicht tot gratis inname als het gaat om afgedankte apparatuur die naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar is met die van particuliere huishoudens.
  • Verder moet de gemeente ook gratis de apparatuur die door detaillisten wordt ingeleverd innemen, als het om apparaten gaat die via de 'oud voor nieuw'-regeling zijn ingeleverd bij de detaillist.         

Meer informatie over productbesluiten vindt u hier of op de website van VROM.  

Naar boven
15. Wat is er met de wijziging van 2005 in het Ivb milieubeheer veranderd?

Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) is met ingang van 29 april 2005 gewijzigd. Het betreft wijzigingen in verband met het beheer van afvalstoffen. Aanleiding hiervoor waren knelpunten in de praktijk, jurisprudentie en de herijking van de VROM-regelgeving. Een aantal wijzigingen zijn aangebracht.

  • Het aantal categorieën van inrichtingen waarvoor de vergunning inzake de Wet milieubeheer (Wm-vergunning) voor bepaalde termijn kan worden verleend (ten hoogste 10 jaar) is beperkt. Afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) en stortplaatsen krijgen in het vervolg een Wm-vergunning voor onbepaalde termijn. 
  • De verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de Minister van VROM is voor een aantal inrichtingen (genoemd in bijlage III van het Ivb) afgeschaft. Voor onder andere stortplaatsen van de C2-categorie en AVI's kan het bevoegd gezag een vergunning verlenen zonder dat de Minister een vvgb heeft afgegeven. Indien een Wm-vergunningaanvraag betrekking heeft op een stortplaats, toetst de provincie de aanvraag aan het capaciteitsplan storten van het Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP). 
  • De bevoegdheidsverdeling tussen provincie en gemeente voor de verlening van de Wm-vergunning is aangepast. Uit jurisprudentie is namelijk gebleken dat de provincie vaker bevoegd gezag is dan eerder werd aangenomen.
  • Gemeenten zijn bevoegd gezag voor inrichtingen met een opslagcapaciteit van bedrijfsafvalstoffen tot 1.000 m3. Voorheen was de grens 50 m3. Ook zijn gemeenten bevoegd gezag voor inrichtingen voor het be- of verwerken van bedrijfsafvalstoffen en huishoudelijke afvalstoffen met een jaarcapaciteit van ten hoogste 15 kton. Voorheen was de provincie altijd bevoegd gezag voor deze inrichtingen. 
  • Boven- of ondergrondse containers voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen met een (gezamenlijke) capaciteit van maximaal 35 m3 zijn niet langer Wm-vergunningplichtig. 
  • Tenslotte is afgeschaft de verplichting van de provincie om VROM informatie te verstrekken over bepaalde vergunningaanvragen met betrekking tot inrichtingen die handelingen met gevaarlijke afvalstoffen verrichten.                               

Uitgebreidere informatie kunt u vinden in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Ivb milieubeheer. Deze is gepubliceerd in het Staatsblad, jaargang 2005, nr. 168 en kunt u hier downloaden.  

Naar boven
16. Mag een gemeente een bedrijf verplichten oud papier af te geven aan een bepaalde inzamelaar?

Voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen zijn gemeenten verantwoordelijk (zorgplicht) en kunnen ze zelf beslisssen of ze het door een eigen inzameldienst of door hen aangewezen derden laten inzamelen. Het inzamelen van bedrijfsafval valt niet onder de gemeentelijke zorgplicht, de gemeente kan daarom niet bepalen wie binnen het gemeentegebied al dan niet mogen inzamelen. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor het gescheiden aanbieden van hun afval. Daarom kunnen zij ook voor het afvoeren van hun oud papier naar keuze particuliere inzamelaars, de gemeentelijke inzameldienst of een overheidsbedrijf inschakelen (mits deze op de VIHB-lijst van het NIWO staan).  De Wet milieubeheer geeft de gemeente wel de bevoegdheid om regels te stellen over inzameling van bedrijfsafvalstoffen in het belang van de bescherming van het milieu; over bijvoorbeeld dagen, tijden, wijze en plaatsen waarop de bedrijfsafvalstoffen worden aangeboden.

Overigens, wanneer een inzamelaar niet-beroepsmatig inzamelt, kan het zijn dat hij vrijgesteld is van de VIHB-registratie. Hierover kan het NIWO geraadpleegd worden. 

Naar boven
17. Wat zegt de afvalregelgeving over het exporteren van gebruikte kleding?

Gebruikte kleding wordt op het moment van afgifte aangemerkt als afvalstof. Alleen als na sortering en eventuele bewerking de kleding geschikt is voor en gebruikt wordt als kleding, wordt zij als niet-afvalstof aangemerkt. Een partij nog niet gesorteerde gebruikte kleding is in zijn geheel een afvalstof.

Voor grensoverschrijdend transport van afvalstoffen gelden de regels van de Europese Verordening Overbrenging van Afvalstoffen (EVOA).  In deze verordening staan de procedures voor de grensoverschrijdende transporten van afval. Afvalstoffen zijn in de EVOA ingedeeld in twee lijsten: de groene en de oranje lijst. Sommige afvalstoffen komen op geen van de lijsten voor. 
Gesorteerde gebruikte kleding die na sortering niet meer herbruikbaar is als kleding, wordt aangemerkt als Groene-lijst-afvalstof (onder de B3030). Daarbij geldt wel de voorwaarde dat de afvalstoffen bestemd zijn voor nuttige toepassing. Textiel ingezameld in plastic zakken, waarvan in Nederland geen sortering heeft plaatsgevonden, wordt gezien als huishoudelijk afval en aangemerkt als Oranje-lijst-afvalstof (Y46). 
Afhankelijk van het land van bestemming, de precieze aard van de  en de wijze van verwerking van gebruikte kleding als afvalstof is er:

  • een vergunning (kennisgeving) nodig
  • worden er andere (aanvullende) voorwaarden gesteld worden door het land van bestemming
  • is er een verbod.          

Meer informatie over de procedures is te vinden op deze site in de rubriek Afval over de grens/EVOA. 

Naar boven
18. Moet bermmaaisel afgevoerd worden naar een composteerinrichting of mag het ook worden toegepast op het aangrenzende land?

Bermmaaisel dat vrijkomt bij bermbeheer en verplaatst wordt, is een afvalstof omdat men zich er van wil ontdoen. Volgens artikel 10.2 van de Wet Milieubeheer is het verboden afvalstoffen buiten inrichtingen te storten, of anderszins op of in de bodem te brengen. Maar in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen is bepaald dat dit verbod voor een aantal afvalstoffen niet geldt. Vanaf 15 november 2005 geldt er ook voor bermmaaisel, tarragrond, oogstrestanten en heideplagsel onder bepaalde voorwaarden een vrijstelling. 

De reden om bermmaaisel vrij te stellen is dat het afvoeren van kleine hoeveelheden naar een composteerinrichting tot onnodig hoge lasten leidt voor natuur- en bermbeheerders. Bovendien is het een gangbare landbouwpraktijk om dit bermmaaisel toe te passen op het land en is niet gebleken dat het milieuhygiënisch onverantwoord is om dit toe te staan.

De voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond. Zo moet het bermmaaisel schoon en onverdacht zijn (bijvoorbeeld vrij zijn van zwerfafval). Ook mag het op het land brengen van het bermmaaisel niet leiden tot een significante verspreiding van zware metalen of mineralen. Daarom is vrijstelling alleen mogelijk als er sprake is van kleine hoeveelheden die strikt lokaal gebonden worden toegepast, dat wil zeggen op percelen op maximaal 100 meter van de plaats van vrijkomen. Een aantal praktijkvoorbeelden zijn uitgewerkt in het Informatiedocument Vrijstellingsregeling groenafval en tarragrond.  

Naar boven
19. Het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton en de verpakkingenbelasting; wat betekent dat voor het bedrijfsleven?

Het besluit regelt producentenverantwoordelijkheid: bedrijven die in Nederland verpakkingen op de markt brengen, worden verantwoordelijk gesteld voor gescheiden inzameling en hergebruik van deze verpakkingen.

Het besluit heeft als doel om tot een hergebruik van verpakkingsafval van 65% te komen. Om dit te realiseren is per verpakkingssoort een doelstelling geformuleerd, bijvoorbeeld 95% voor grote plastic flessen, 55% voor kleine kunststof flessen, 27% voor overige kunststofverpakkingen en 90% voor glasverpakkingen.

Ook is het de bedoeling van het invoeren van het besluit dat de kosten voor het inzamelen en verwerken van verpakkingsafval betaald gaan worden door consumenten (via een hogere prijs voor producten in verpakkingen) in plaats van door alle burgers (via de gemeentelijke afvalstoffenheffing).

Met ingang van 1 januari 2008 is de verpakkingenbelasting van kracht. Het 'Besluit beheer verpakkingen en papier en karton' en de daaruit voortvloeiende verplichtingen vormen de basis voor de verpakkingenbelasting. Op grond van de verpakkingenbelasting worden bedrijven belastingplichtig en wordt de verpakkingsopgave een belastingaangifte. 

Kijk hier voor meer informatie over het Besluit Verpakkingen.
Kijk hier voor meer informatie over de verpakkingenbelasting
Kijk hier voor links naar de sites van de collectieve organisaties

Naar boven
20. Wanneer is een auto aan te merken als een autowrak, en daarmee een afvalstof?

In de EU autowrakkenrichtlijn wordt onder het begrip autowrak verstaan: 'voertuig dat een afvalstof is volgens de Kaderrichtlijn afvalstoffen'. 

Het begrip afvalstof is in deze Kaderrichtlijn gedefinieerd als 'elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'. 

Deze definitie van het begrip afvalstof is overgenomen in de Wet milieubeheer. Omgezet naar het begrip autowrak: de houder van een voertuig zal zich doorgaans daarvan ontdoen (of voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan moeten ontdoen) wanneer het voertuig rijtechnisch in onvoldoende staat verkeert en het niet meer op rendabele wijze in een rijtechnisch voldoende staat te brengen is. 

Wanneer is een voertuig op rendabele wijze weer in rijtechnisch voldoende staat te brengen? 
Hiervoor kan worden uitgegaan van de richtprijzen voor gebruikte voertuigen en van de door garages en schadeherstelbedrijven gehanteerde tarieven voor reparatiewerkzaamheden.

De vraag of er sprake is van een autowrak, zal van geval tot geval door een persoon, belast met de handhaving, bepaald moeten worden op grond van de wet- en regelgeving en de jurisprudentie terzake.

Uitgebreidere informatie is te vinden in het Besluit beheer autowrakken in de toelichting op artikel 1. Voor de goede orde: het Besluit nadere omschrijving begrip autowrakken is ingetrokken.

Wat mag een garage doen met een autowrak?
Alleen autodemontagebedrijven die beschikken over een daartoe strekkende milieuvergunning van de provincie mogen bewerkingen aan autowrakken verrichten. Garage- of schadeherstelbedrijven, vallend onder het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, moeten de ingenomen autowrakken zonder bewerking afvoeren naar een erkend autodemontagebedrijf. Een uitzondering op het verbod is gemaakt voor de gevallen waarin de laatste particuliere eigenaar van een autowrak, anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, verzoekt om bepaalde accessoires, zoals een autoradio of trekhaak, van het autowrak te demonteren met het doel om deze accessoires opnieuw te gebruiken voor een ander motorvoertuig waarvan de ontdoener van het autowrak eigenaar of houder is.

Hoe herken je een autowrak? 
Zie voor een omschrijving en illustraties ook hier (te vinden onderaan de pagina). 

Naar boven
21. Wat is de RoHS?

De term RoHS wordt gebruikt in verband met elektrische en elektronische apparaten. RoHS staat voor Restriction of use of certain Hazardous Substances in electrical and electronic equipment. Het is een Europese richtlijn (2002/95/EC), die is omgezet in Nederlandse wetgeving: het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.
Vanaf 1 juli 2006 moest alle nieuwe op de Europese markt gebrachte elektr(on)ische apparatuur conform de Richtlijn zijn. De RoHS-Richtlijn heeft geen betrekking op producten die in de EU al voor deze datum op de markt waren (en dus in de bevoorradingsketen zitten). Dergelijke producten mogen nog verder worden verkocht. 

De richtlijn (en het besluit voor Nederland) verbiedt het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. 
Zij mogen niet meer dan de toegelaten concentraties bevatten van de volgende stoffen:

  • Lood (Pb)
  • Kwik (Hg)
  • Cadmium (Cd)
  • Zeswaardig chroom (Cr(VI))
  • Polybroombifenyl (PBB) en Polybroomdifenylether (PBDE) (als vlamvertragers gebruikt in bepaalde kunststoffen).         

De maximumconcentraties bedragen 0,1 gewichtsprocent van het homogene materiaal, met uitzondering van cadmium waar de limiet 0,01 gewichtsprocent bedraagt.
Deze grenswaarden hebben geen betrekking op het gewicht van het afgewerkte product, het montageonderdeel of zelfs een component. De EU vermeldt dat de definitie van een homogeen materiaal een enkelvoudige stof is die (theoretisch) via mechanische weg van andere stoffen gescheiden zou kunnen worden (b.v. tinlaag op lood in een component, mantel op een kabel, enz.). 

Uitzonderingen en vrijstellingen
Twee categorieën waarop de Richtlijn van toepassing is, hoeven vooralsnog niet aan bovenstaande verplichtingen te voldoen

  • 8. Medische hulpmiddelen
  • 9. Meet- en controle-instrumenten         

Tevens bevat de Richtlijn een bijlage met verscheidene vrijstellingen. Deze bijlage is een aantal malen gewijzigd bij EU-beschikking. De meest gegronde reden voor een vrijstelling is de afwezigheid van een technisch uitvoerbaar alternatief. Deze vrijstellingen zijn tijdelijk en worden op een later tijdstip herzien.
Een vrijstelling wordt gegeven voor een bepaalde toepassing in een apparaat. Voor een individueel bedrijf is het niet mogelijk een vrijstelling te krijgen.  

Voor meer informatie zie www.vrom.nl > Dossier Afval > Elektr(on)ische apparatuur. 

Naar boven
22. Mag ik CD-Rom’s en cartridges als restafval afvoeren?

Of iets als restafval afgevoerd mag worden, is onder andere afhankelijk van het feit of het als gevaarlijk afval aangemerkt moet worden. Gevaarlijk afval moet gescheiden afgevoerd worden. Of iets gevaarlijk afval is, wordt bepaald door de Europese Afvalstoffenlijst (Eural). De lijst bevat afvalstoffen die per definitie als wel of niet gevaarlijk worden aangemerkt en afvalstoffen die afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen als wel of niet gevaarlijk moeten worden aangemerkt.

Gevaarlijke afvalstoffen moeten altijd apart gehouden worden van het restafval. Burgers moeten dit afval als Klein Chemisch Afval (KCA) afvoeren. Gemeenten schrijven dit voor in de afvalstoffenverordening en bieden de burgers de mogelijkheid om KCA gescheiden in te leveren. Bedrijven voeren kleine hoeveelheden gevaarlijk afval (< 200 kg per afgifte) af als Klein Gevaarlijk Afval (KGA). De verplichting om KGA gescheiden af te voeren is vastgelegd in milieuregelgeving voor bedrijven of in de vergunning.

CD-Roms (net als DVD’s en CD’s) bevatten geen gevaarlijke stoffen en mogen dus bij het restafval. Cartridges worden volgens de Eural aangemerkt als gevaarlijk afval indien ze nog resten inkt/toner met gevaarseigenschappen bevatten.

Het feit dat een afvalstof als niet gevaarlijk te bestempelen is, wil overigens nog niet zeggen dat het altijd afgevoerd mag worden als restafval. Met name als er betere verwerkingsmogelijkheden zijn (die vaak ook nog goedkoper zijn). Denk bijvoorbeeld aan papier, glas of oud ijzer. Dit geldt ook voor lege cartridges; de meeste cartridges kunnen weer hergebruikt worden en gescheiden afvoer ervan is in veel gevallen goedkoper dan afvoer als restafval. Voor CD-ROM’s is er geen hoogwaardiger verwerking beschikbaar, dus deze mogen bij het restafval. 

Naar boven
23. Levert afvalscheiding een bijdrage aan CO2-reductie?

Het antwoord is ja: hergebruik en nuttige toepassing van gescheiden afvalstromen levert in principe een CO2-voordeel t.o.v. het verbranden van deze stromen met het restafval. 

De reductie in CO2-uitstoot door gescheiden inzamelen en verwerken van gescheiden huishoudelijk afval is wel sterk afhankelijk van het soort afval. Per ton gescheiden ingezameld kunststofafval bedraagt de CO2-reductie ongeveer 2.600 kg CO2. Ter vergelijking: dit komt overeen met 125% van het jaarlijks gasverbruik van een gemiddeld gezin of ongeveer 18.500 gereden autokilometers.
Ook hergebruik/nuttige toepassing van textiel en in mindere mate glas levert een CO2-reductie op. Gescheiden inzamelen en compostering van GFT scoort min of meer neutraal qua CO2-uitstoot. Met vergisten gecombineerd pakt het positiever uit. Voor papier en ook GFT moet nader onderzoek nog uitwijzen hoe groot de CO2-reductie is. Dit zal voor eind 2007 bekend worden.

De genoemde kentallen komen voort uit van een onderzoek dat in opdracht van SenterNovem (Nu NL Milieu en Leefomgeving) is uitgevoerd door CE Delft. Het is opgesteld voor gemeenten; NL Milieu en Leefomgeving wil hen een hulpmiddel aanreiken waarmee de CO2-reductie kan worden berekend van de huidige scheidingsprestatie en van verbeterde scheiding als gevolg van bepaalde maatregelen, zoals de invoering van diftar. Steeds meer gemeenten laten immers het CO2-effect van plannen/maatregelen zwaar meewegen in beslissingen.

Natuurlijk is CO2-uitstoot maar één (milieu)aspect van afvalscheiding en -verwerking. In een complete afweging zal ook rekening worden gehouden met onder meer andere milieuaspecten, zoals duurzaam grondstoffengebruik en toxische emissies, en natuurlijk kosten. Verder is bij bijvoorbeeld GFT van belang dat als bij wijze van spreken alle gemeenten zouden stoppen met gescheiden GFT-inzameling (en dus al het GFT verbrand moet worden), de verwerkingscapaciteit van AVI’s bij lange na niet toereikend zal zijn, met als gevolg dat er veel meer afval gestort zou moeten worden.
Het rapport en de CO2-kentallen vormen voor gemeenten dus kennis die zij kunnen gebruiken bij het formuleren van hun afval- en klimaatbeleid. 

Het rapport is hier te downloaden

Naar boven
24. Kunnen grensoverschrijdende afvaltransporten ook elektronisch gemeld worden?

Vanaf 1 september 2007 kunnen afvalbedrijven in Nederland hun vergunningsplichtige afvaltransporten elektronisch versturen. Per transport moeten er drie meldingen gedaan worden, namelijk een afgiftemelding, een ontvangstmelding en een melding dat het afval verwerkt is. NL Milieu en Leefomgeving ontvangt per jaar ruim 500.000 meldingen. Ook de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken landen ontvangen deze meldingen. 

Bedrijven die elektronisch willen gaan melden, ontvangen na aanmelding een inlogcode voor de webapplicatie. Hier kan hij afgiftemeldingen (bij uitvoerdossiers) en ontvangst- en/of verwerkingsmeldingen (bij invoerdossiers) invoeren. Daarbij ontstaat automatisch een werkvoorraad van vergunde dossiers per bedrijf. Het systeem voert hierop enkele essentiële controles uit, zoals overschrijding van het aantal transporten en tonnage, en het al dan niet verstreken zijn van de looptijd van vergunningen.
Met de introductie van het elektronisch melden vervalt het aanmeldingsproces per fax voor een deel. Naast efficiencyverhoging levert dit een bedrijf een digitaal dossier op waarmee het mogelijk wordt om transporten te monitoren en eventuele (zelf) gemaakte fouten te herstellen. Aangezien het bedrijf zelf kan zorgen dat een dossier volledig is, zal NL Milieu en Leefomgeving sneller een verzoek tot retournering van de borg kunnen afhandelen, die ten grondslag ligt aan internationale afvaltransporten. Verder kan, door letterlijk één druk op de knop, een transport worden geannuleerd en bestaat de mogelijkheid om zogenaamde bulkmeldingen te doen. NL Milieu en Leefomgeving hoopt dat afvalbedrijven massaal de nieuwe manier van melden omarmen, om zowel hun eigen administratieve lasten als die van NL Milieu en Leefomgeving te verlichten. 

Klik hier voor meer informatie

Naar boven
25. Klopt het dat het logo voor klein chemisch afval (kca) is afgeschaft?

Ja, begin januari 2007 is het Besluit kca-logo ingetrokken. Volgens het besluit was het kca-logo verplicht voor bepaalde producten die als ze afgedankt worden onder klein chemisch afval vallen. De directe aanleiding voor de intrekking van deze regelgeving is de inbreukprocedure (wegens ongeoorloofde handelsbelemmeringen) die door de Europese Commissie tegen Nederland is gestart. Daarnaast past intrekking van het Besluit kca-logo in het kabinetsbeleid tot vermindering van de regelgeving. 

Producenten en importeurs zijn dus niet langer verplicht om het kca-logo aan te brengen op producten als reinigings- en onderhoudsmiddelen, verf, verfverdunnings- en verwijderingsmiddelen. De administratieve lasten voor het bedrijfsleven verminderen hierdoor naar schatting met ruim 5 miljoen euro per jaar. 

Let wel: de producent of importeur is niet verplicht om het kca-logo eraf te halen. Op vrijwillige basis kan de producent of importeur het logo handhaven. Ook is een vergelijkbaar logo wel verplicht voor elektr(on)ische apparatuur, dit in het kader van de Regeling Elektr(on)ische apparatuur. 

De verwachting is dat afschaffing van het kca-logo geen nadelige gevolgen heeft op het scheidingsgedrag van afval door burgers. Bij veel mensen is inmiddels bekend welke producten onder klein chemisch afval vallen en daarom gescheiden moeten worden ingezameld. Bovendien zijn er nog andere manieren (bijvoorbeeld de huisvuilkalender van gemeenten) waarmee aandacht wordt besteed aan de doelstelling van de overheid om klein chemisch afval gescheiden in te zamelen. 

Naar boven
26. Wat verandert er voor opslag en be- en verwerking van afvalstoffen met het nieuwe Activiteitenbesluit?

Per 1 januari 2008 hebben twaalf algemene maatregelen van bestuur (8.40 AMvB’s) plaatsgemaakt voor één nieuwe AMvB: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (BARIM), beter bekend als het Activiteitenbesluit. 
Voorheen was het zo dat een inrichting vergunnningplichtig was, tenzij er een 8.40-besluit van toepassing was. Bij het Activiteitenbesluit wordt dit omgekeerd en valt een inrichting in principe onder het Activiteitenbesluit, tenzij er een handeling wordt verricht genoemd in bijlage 1 van het besluit. 

Voor afval zijn de belangrijkste punten:

  • Voor verwijderingshandelingen en de meeste be- en verwerkingshandelingen van afvalstoffen blijft vergunningplicht gelden.
  • Hergebruik van hout, metaal, textiel en kunststof leidt niet tot vergunningplicht. Het moet dan gaan om het inzetten van afval hout-metaal-textiel-kunststof in plaats van grondstof hout-metaal-textiel-kunststof, en als vangnet is hierbij een mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen (vroeger heette dat nadere eisen) als de afvalstoffen te sterk afwijken van de grondstoffen.
  • In de voorschriften wordt geen aandacht meer besteed aan afvalpreventie. Afvalscheiding komt wel in de voorschriften terug. Tevens bevat het besluit een bepaling dat inrichtinghouders in een straal van 25 meter om hun inrichting zwerfafval op moeten ruimen. Tot nu toe stond dat alleen in de AmvB Horeca.
  • Een 'normaal' amvb-bedrijf mag tot 35 kubieke meter afvalstoffen van buiten de inrichting opslaan en geen gevaarlijk afval van buiten de inrichting. Voor opslag van eigen afval geldt geen begrenzing.
  • De opslag van maximaal 35 m3 elektrische en elektronische apparatuur, ingenomen in het kader van de oud-voor-nieuw-regeling (bij detailhandel, distributiecentra en postorderbedrijven) leidt niet tot vergunningplicht. Op termijn wordt dit verruimd tot 100 m3.
  • Op de opslag van afvalstoffen zijn voorschriften van toepassing die ook gelden voor niet-afvalstoffen met dezelfde eigenschappen.
  • Kringloopwinkels vallen onder het besluit als het oppervlak voor opslag niet meer dan 6.000 m2 bedraagt voor afgedankte consumentenproducten en het oppervlak voor reparatiewerkzaamheden niet hoger is dan 1.000 m2. Het opslaan en bewerken van gevaarlijk afval bij kringloopwinkels leidt voorlopig nog tot vergunningplicht.          
Naar boven
27. Wat is er in november 2008 veranderd in de Wet milieubeheer voor afvalstoffen?

De belangrijkste wijzigingen voor gemeenten betreffende gft-inzameling, de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel en afstemming met de Kaderwet diervoeders.

Door een wijziging van artikel 10.26 krijgen gemeenten meer mogelijkheden om de inzameling van gft-afval af te stemmen op de plaatselijke situatie. De verruiming betreft de bevoegdheid van de gemeenten om:

  • de frequentie van de inzameling van gft-afval te bepalen, bijvoorbeeld de winter overslaan in gebieden waar in hoofdzaak tuinafval wordt ingezameld
  • slechts bepaalde bestanddelen van het gft-afval afzonderlijk in te zamelen, zoals alleen het tuinafval
  • andere afvalstromen met het gft-afval in te zamelen, bijvoorbeeld luiers.         

Daarnaast is de verplichting voor gemeenten geschrapt om de VROM-Inspectie op de hoogte te stellen van het voornemen van gemeenten om van de beleidsvrijheid gebruik te maken.

Ten tweede is met de wijziging van artikel 10.26 de 'Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel' komen te vervallen. Deze regeling stelde een maximale afstand tussen perceel en inzamelvoorziening van 75 meter, waarbij de gemeente bij de verordening kon bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter. Nu is het dus bevoegdheid van de gemeente geworden om deze afstand te bepalen.

Tenslotte is in artikel 22.1 bepaald dat hoofdstuk 10 (afvalstoffen) van de Wet milieubeheer niet van toepassing is op gedragingen, voor zover daaromtrent voorschriften gelden die zijn gesteld bij of krachtens de Kaderwet diervoeders. Het gaat hier om agrarische reststromen die een bestemming krijgen als diervoer. De Kaderwet regelt voor deze afvalstroom voldoende en er was daarmee sprake van overlappende regelgeving. Alleen voor het exporteren van deze afvalstoffen blijft de Wet milieubeheer van toepassing. 

Naar boven
28. Hoe kan ik als gemeente het meest succesvol oud papier inzamelen?

Gemeenten vragen NL Milieu en Leefomgeving soms om advies over verbetering van de inzameling van oud papier en karton: hoe kan de respons van inwoners worden verbeterd?

In Nederland wordt per jaar bijna 4.000 kton huishoudelijk restafval niet gescheiden ingezameld. Een kwart hiervan bestaat uit papier en karton, dit is een miljard kilo. Laten we het niet-herbruikbaar papier (sanitair papier en drankenkartons) achterwege, dan hebben we het over zo’n 500 miljoen kilo herbruikbaar papier. Per inwoner betekent dit circa 30 kg papier dat door betere scheiding nog apart zou kunnen worden ingezameld. Beter voor het milieu en voor de portemonnee. Papierverwerkers betalen aan de poort circa 60 euro per ton. Inzamelende verenigingen varen er wel bij. Papier dat niet gescheiden wordt ingezameld, belandt in de afvalverbrandingsinstallaties en dit kost meer dan 100 euro per ton.

Twee succesvolle inzamelmethoden voor papier winnen snel terrein: de (blauwe) minicontainer voor huis-aan-huis inzameling in de laagbouw en de ondergrondse verzamelcontainer voor in de hoog- of stapelbouw. Vooral de minicontainer blijkt goed te scoren: er zijn gemeenten die daarmee hun hoeveelheid opgehaald papier verdubbelen. In het restafval zit dan nog grotendeels niet-herbruikbaar papier. Daarmee verdient de container zich snel terug.

Responsverbetering is dus goed mogelijk. Daar staan wel investeringen tegenover. Ook kan het zijn dat burgers niet zitten te wachten op een derde bak aan huis. De praktijk leert echter dat als mensen de keuze krijgen, in eerste instantie ruim 60% kiest voor de papiercontainer. Na verloop van tijd loopt dat op tot zo’n 85%: men vindt het toch wel erg makkelijk en gesjouw met zware dozen is verleden tijd. Dat is trouwens ook positief voor de arbeidsomstandigheden van inzamelaars, vaak vrijwilligers van verenigingen. Komt nog bij dat er geen verwaaiing meer optreedt en er dus minder zwerfafval ontstaat op aanbieddagen. Bij containerisering van de inzameling van oud papier zijn er dus eigenlijk alleen maar winnaars. 

Naar boven
29. Doorgaan of stoppen met de duobak?

Enkele gemeenten hebben ons gevraagd wat ze aan moeten met de zogenaamde duobak. Dat is een afvalcontainer (meestal zo’n 280 liter) met een tussenschot die gebruikt wordt om tegelijkertijd grijs (restafval) en groen (GFT) afval in te zamelen bij huishoudens. Aanleiding voor de vraag was de vervanging van de afvalcontainers, vanwege afschrijving, slijtage en/of onvrede. 
Uit de monitoring van afvalgegevens zoals NL Milieu en Leefomgeving die uitvoert, blijkt dat gemeenten zelden meer kiezen voor een nieuwe duobak. Die blijkt namelijk vaak te leiden tot een slechte scheiding van GFT (weinig en dan ook nog vervuild), technische problemen en verklemming bij lediging. Verder zijn er relatief hoge kosten mee gemoeid door de inefficiënte inzameling. De groen- en grijscompartimenten zullen namelijk nooit gelijktijdig vol zijn, maar er moet dan wel geledigd worden. Daarnaast brengt het extra transportkilometers met zich mee indien grijs en gft op verschillende locaties verwerkt worden. Door de lagere vraag en productie zijn doubakken ook nog relatief duur: één duobak kost meer dan twee minicontainers. Last but not least is het voor de burger soms een flink karwei de grote en zware bak aan de weg te zetten.

Tegenover deze nadelen staan twee voordelen: het ruimtelijk gemak van één bak en een wekelijkse inzameling van beide fracties. Dat zijn dan ook kennelijk de motieven geweest voor Venlo om een proef uit te voeren met een duobak voor restafval en kunststof. Gezien alle ervaringen verwachten we toch dat de duobak uit het straatbeeld zal verdwijnen. We zien een duidelijke trend naar (alternerend ingezamelde) minicontainers en ondergrondse verzamelcontainers, ook voor papier. En met steeds meer met chips ten behoeve van identificatie en registratie, passend bij professioneel afvalbeheer. 

Naar boven
30. Wat zijn de nieuwe regels voor batterijen en accu’s sinds 2008?

Sinds 26 september 2008 is er nieuwe regelgeving voor batterijen (inclusief accu’s). De regelgeving is gebaseerd op de gewijzigde Europese regels en spreekt producenten (degenen die de batterijen op de markt brengen) aan op hun verantwoordelijkheid om de schadelijkheid van batterijen voor het milieu te verminderen. Dat gebeurt enerzijds door schadelijke stoffen zoveel mogelijk te verbieden. En anderzijds door zoveel mogelijk afgedankte batterijen gescheiden in te zamelen en te recyclen.

Er zijn wijzigingen in de regels waar batterijen aan moeten voldoen. Er is sprake van een aanscherping van de maximale concentratiewaarden voor kwik en cadmium. Ook zijn de eisen voor het markeren van batterijen veranderd. Daarnaast zijn er regels gekomen voor het (eenvoudig) kunnen verwijderen van batterijen die in elektr(on)ische apparatuur zitten.

In de nieuwe regels wordt onderscheid gemaakt in drie typen batterijen en accu’s: draagbare, industriële en autobatterijen en -accu’s. Voor elk type zijn er verschillende verplichtingen voor de producent met betrekking tot inzameling van de afgedankte batterijen. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de oude regels die golden voor batterijen met een gewicht tot 1 kg. Verder worden er verplichtingen opgelegd aan producenten voor het verwerken van de batterijen en het verstrekken van informatie over de batterijen. Producenten moeten hiertoe een mededeling doen (een plan van aanpak waarin ze aangeven hoe ze aan hun verplichtingen gaan voldoen) aan de minister van VROM. En ook jaarlijks een verslag over de uitvoering daarvan uitbrengen. Een producent kan aan het laatste ook voldoen door zich aan te sluiten bij een collectieve uitvoeringsorganisatie (zoals de STIBAT) die collectief mededeling en verslaglegging doet.

Nieuw is ook dat alle verkooppunten van draagbare batterijen verplicht zijn de afgedankte draagbare batterijen en accu’s van de consument/eindgebruiker gratis terug te nemen, ongeacht of de consument/eindgebruiker een nieuwe koopt.

Voor meer informatie: www.minvrom.nl/batterijen

Naar boven
31. Wat verandert er met het tweede LAP in de scheidingsdoelstellingen voor huishoudelijk afval?

LAP-1 kende de volgende doelstellingen voor huishoudelijk afval: 
In 2006 diende minimaal 60% van het huishoudelijk afval nuttig te worden toegepast, waarbij ervan uitgegaan werd dat 5% werd gerealiseerd door nascheidingstechnieken. Dit betekent dat gemeenten 55% bronscheiding dienden te realiseren, waarbij deze doelstelling gedifferentieerd werd naar stedelijkheidsklasse. Zeer stedelijke gemeenten dienden 43% bronscheiding te realiseren en niet stedelijke gemeenten 60%.
Bovenstaande betekent dat volgens LAP-1 in 2006 maximaal 40% van het huishoudelijk afval mocht worden verwijderd (verbranden of storten).
In 2006 is de doelstelling van 60% nuttige toepassing niet gehaald; het percentage lag op 51%.

Verder kende LAP-1 de verplichting om de volgende stromen huishoudelijk afval gescheiden in te zamelen: GFT-afval, papier en karton, glas, textiel, elektr(on)ische apparatuur, klein chemisch afval en componenten uit grof huishoudelijk afval.
Naast de 55%-bronscheidingsdoelstelling kende LAP-1 aparte doelstellingen voor bovengenoemde fracties uit het huishoudelijk afval:

  • GFT-afval 55%
  • papier en karton 75%
  • glas 90%
  • textiel 50%
  • elektr(on)ische apparatuur 90%
  • klein chemisch afval 90%.         

LAP-2 kent geen gedifferentieerde doelstellingen naar stedelijkheidsklassen meer. Ook zijn er geen aparte doelstellingen meer voor de verschillende fracties uit het huishoudelijk afval. 
De doelstelling uit LAP-2 luidt: verhogen van de nuttige toepassing van het totaal aan huishoudelijk afval van 51% in 2006 naar 60% in 2015. Deze 60% bestaat uit bron- en nascheiding.
Dit betekent dat gemeenten een bepaalde mate van vrijheid hebben bij het invullen van het behalen van de doelstelling van 60%.
LAP-2 kent nog wel de verplichting om dezelfde afvalstromen als genoemd in LAP-1 gescheiden in te zamelen. Nieuw in LAP-2 is dat gemeenten vóór 2010 dienen zorg te dragen dat ook kunststof verpakkingsafval uit huishoudens gescheiden wordt ingezameld of via nascheiding uit het huishoudelijk afval wordt verkregen. 

Voor meer informatie: www.lap2.nl.

Naar boven
32. Wat doet de overheid om het beschikbaar stellen / het gebruik van plastic tasjes terug te dringen?

Het instellen van een verbod op plastic tasjes is vanwege Europese regelgeving zeer waarschijnlijk niet mogelijk is. In Nederland is gekozen voor een ander systeem om de milieudruk van verpakkingen, dus ook van plastic verpakkingen zoals plastic tasjes, te verkleinen. 

Sinds geruime tijd zijn er afspraken die samen een algemene aanpak vormen. In 1991 is met de supermarkten afgesproken dat geen gratis tasjes meer worden gegeven. Daarmee is het aantal draagtassen dat in Nederland wordt verstrekt al aanzienlijk verminderd. Daarnaast zijn supermarkten veelal overgegaan op zogenaamde bigshoppers, die veel langer meegaan.
Andere branches kunnen ook ertoe overgaan om klanten te laten betalen voor plastic tasjes. Ze vragen nu al aan de klant of ze een tasje willen of niet. Hierdoor worden consumenten ook aangesproken op hun verantwoordelijkheid.

Ook consumenten zelf nemen initiatieven om het gebruik van plastic tasjes terug te dringen door hergebruik te stimuleren. Zo is in sommige winkels een zogenaamde 'tassenbol' in de buurt van de kassa’s geplaatst, waar je je gebruikte plastic tasjes in kunt stoppen, die door andere klanten weer in gebruik genomen kunnen worden.

Overigens is het mogelijk om plastic tassen, mits plastic afval/kunststof verpakkingsmateriaal apart wordt ingezameld, te recyclen. In een deel van Nederland is de gescheiden inzameling van kunststof verpakkingsafval uit huishoudens al gestart. En in de loop van het jaar zullen de meeste gemeenten volgen. 

Producenten en importeurs van verpakkingsmaterialen, waaronder plastic tasjes, hebben verplichtingen op grond van het Besluit verpakkingen. Zij zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het halen van hergebruikdoelstellingen en moeten maatregelen nemen om de gewichtshoeveelheid en schadelijkheid van verpakkingsmateriaal te verminderen (preventie). 

Naar boven
33. Mag ik mijn eigen afvalhout verbranden in een houtkachel?

In veel inrichtingen wordt het eigen, schone afvalhout verbrand in een stookinstallatie. Daarmee wordt het een afvalverwerkende inrichting en in bijlage 1 van het Activiteitenbesluit worden als vergunningplichtig aangewezen inrichtingen waar afvalstoffen verbrand worden. Indien alleen eigen afvalhout verbrand wordt, is de gemeente bevoegd gezag. Wordt er ook afvalhout van buiten de inrichting afkomstig verbrand, dan is er een provinciale Wm-vergunning nodig.

Minimumstandaard Landelijk afvalbeheerplan
Het verbranden van afvalhout voor bijvoorbeeld ruimteverwarming is een vorm van afvalverwerking die overeenstemt met de minimumstandaard. Het betreft een R-handeling: nuttige toepassing, in de vorm 'hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking'.

Emissie-eisen
Het Besluit verbranden afvalstoffen is niet van toepassing op afvalstoffen bestaande uit hout dat geen organische verbindingen dan wel zware metalen bevat. Het besluit emissie-eisen stookinstallaties A (BEES A) is alleen van toepassing op zware stookinstallaties zoals elektriciteitbedrijven, raffinaderijen en chemische industrie. BEES B is alleen van toepassing op stookinstallaties waarin kolen, zware stookolie, gasolie of aardgas dan wel een mengsel van deze brandstoffen wordt verstookt. BEES B wordt echter naar verwachting medio 2009 vervangen door het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties (BEMS), waarvan het ontwerp in december 2008 is gepubliceerd. Dit BEMS kent een veel breder toepassingsgebied, namelijk alle stookinstallaties die deel uitmaken van een inrichting, die behoort tot een of meer van de categorieën van inrichtingen uit in bijlage I van het IVB. In de conceptversie van het BEMS geldt de overgansperiode voor bestaande installaties tot 2017.
Voor het verbranden van schoon resthout is wel de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) van toepassing, en wel de Bijzondere regeling F7 'Installaties voor de verbranding van schoon resthout'. De regeling is van toepassing tot een vermogen van 5 MW. Voor grotere vermogens zijn de algemene NeR-eisen van toepassing. 

Naar boven
34. Wordt de 'Wet milieubeheer-vergunning voor bepaalde termijn' voor afvalbe- en verwerkende inrichtingen afgeschaft?

In de Wet milieubeheer (Wm) is in artikel 8.17, tweede lid, de bevoegdheid neergelegd om bij AMvB categorieën inrichtingen aan te wijzen waarvoor de Wm-vergunning slechts geldt voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (IVB) geeft hier uitvoering aan in artikel 2.2. Dit artikel benoemt categorieën 28.4, onder a tot en met d en onder g, 28.5 en 28.6 als inrichtingen waarvoor de vergunning ten hoogste tien jaar geldt. Dit komt neer op afvalbe- en -verwerkende inrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is (met uitzondering van afvalverbrandingsinstallaties en stortplaatsen).

In het verleden is besloten om Wm-vergunningen voor afvalinrichtingen waarvoor de provincie het bevoegd gezag is, af te geven voor maximaal tien jaar. De reden daarvoor was dat een maximale vergunningtermijn het mogelijk maakt om genoemde inrichtingen op een bepaald moment te laten overgaan tot het gaan gebruiken van andere technieken voor het be- of verwerken van afvalstoffen. Bij een vergunning voor onbepaalde termijn zou het invoeren van een andere be- of verwerkingstechniek alleen kunnen worden bereikt door in te grijpen in een lopende vergunning. Dat werd als een niet gewenste manier beschouwd.
In 2005 is het IVB aangepast, waardoor afvalverbrandingsinstallaties en stortplaatsen vanaf dat moment een vergunning voor onbepaalde tijd konden krijgen. Dit vanwege de (veel) langere afschrijvingstermijn dan tien jaar van afvalverbrandingsinstallaties en stortplaatsen.

Tijdens de evaluatiegesprekken over het eerste LAP kwam naar voren dat de meeste betrokkenen af wilden van de vergunning voor bepaalde termijn. Daarmee zouden administratieve en bestuurlijke lasten worden bespaard en diverse problemen bij het verlengen van aflopende vergunningen worden voorkomen. Ook zou een vergunning voor bepaalde termijn niet meer nodig zijn, gelet op de actualiseringsplicht die in het vergunningenstelsel is opgenomen. Die plicht zou namelijk voldoende zekerheid geven dat het gebruik van andere technieken voor be- en verwerken van afvalstoffen op een bepaald moment wordt ingevoerd.

In het Tweede Landelijk afvalbeheerplan is daarom aangekondigd om voor deze inrichtingen de vergunning voor bepaalde termijn te schrappen en dat de betreffende wet- en regelgeving op dit punt zal worden aangepast.

En welke regelgeving betreft het dan? Het IVB zelf zal niet worden aangepast; het IVB zal namelijk worden opgenomen in nieuwe regelgeving, namelijk:

  • de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
  • het Besluit omgevingsrecht (Bor)
  • de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor).         

In het Bor, dat momenteel in voorbereiding is, worden geen categorieën aangewezen waarvoor een tijdelijke vergunning voor afvalinrichtingen geldt. De wettelijke grondslag om dit te kunnen doen blijft wel bestaan en is te vinden in artikelen 2.23 lid 2 en 2.24 lid 1 van de Wabo. Deze bepaling is breder getrokken en er wordt niet een specifieke groep inrichtingen genoemd, zoals dat voorheen het geval was voor afvalinrichtingen. Ook worden er geen maximumtermijnen genoemd. Er wordt geen invulling gegeven aan deze wettelijke bevoegdheid met betrekking tot categorieën afvalinrichtingen. Uit de toelichting blijkt dat als het Bor inrichtingen aanwijst waarvoor de vergunning voor een beperkte duur geldt, dit in paragraaf 5.4 zal worden geregeld.

De inwerkingtreding van de Wabo, het Bor en de Mor staat gepland op 1 juli 2010. Deze datum is echter zeer onzeker; houdt er dus rekening mee dat het later wordt. 

Naar boven
35. Hoeveel huishoudelijk afval produceren we jaarlijks en hoeveel daarvan is nog herbruikbaar?

Met zo’n 16 miljoen Nederlanders produceren we jaarlijks 9,1 Mton afval, oftewel 9,1 miljard kilo. Dit is bijna 600 kg per Nederlander. Deze 9,1 Mton omvat al het huishoudelijk afval, dat wil zeggen restafval, gescheiden afval (glas, papier, GFT, enz.) en het grof huishoudelijk afval.

 

Van deze 9,1 Mton huishoudelijk afval wordt momenteel ruim 50% (circa 4,7 Mton) nuttig toegepast (hergebruikt). Deze nuttige toepassing is met name mogelijk omdat de burger zijn afval gescheiden houdt van het restafval. Hierdoor kan het afval als product of materiaal worden hergebruikt. Slechts een fractie van het huishoudelijk afval wordt nuttig toegepast door nascheiding van het restafval. De daaruit verkregen afvalstroom wordt - meestal na een bewerking - meeverbrand in een energiecentrale.

 

Dit betekent dat bijna 50% van het huishoudelijk afval (circa 4,4 Mton) nog steeds ‘verwijderd’ wordt (met name verbranding in een afvalverbrandingsoven), terwijl de beleidsdoelstelling is dat minimaal 60% van het huishoudelijk afval nuttig wordt toegepast in 2012. Dit betekent dat er nu nog 0,8 Mton afval te weinig wordt (na)gescheiden. 

 

Het huishoudelijk afval dat verbrand wordt bestaat voor een groot deel uit GFT, papier/karton en kunststof, voor een kleiner deel uit glas, metaal en textiel, en voor een fractie uit KCA, elektronisch afval, hout en steen. Niet al dit afval is te scheiden en her te gebruiken. Het restafval bestaat bijvoorbeeld voor 25% uit papier en karton, waarvan de helft niet-herbruikbaar (drankenkartons, sanitair papier, luiers, etc) en de helft herbruikbaar (schoon en droog) is. Met andere woorden, bijna 0,5 Mton herbruikbaar oud papier en karton gaat nog met het restafval naar de afvalverbranding.

 

Meer cijfers over afval in Nederland staan op onze site onder Cijfers en is te vinden in onze publicaties over monitoring

Naar boven
36. Zijn afgedankte televisies (gevaarlijk) afval?

Afval of niet 

Een afgedankte televisie is een consumptieresidu. Dit is een materiaal dat vrijkomt na consumptie van een product bij consumenten en bedrijven. Vaak zijn dit afvalstoffen. Een consumptieresidu kan als een tweedehands product (en daarmee als een niet-afvalstof) worden gezien als aan de volgende twee criteria wordt voldaan.

  • Het consumptieresidu kan zonder voorafgaande bewerking op een vergelijkbare wijze worden hergebruikt.
  • Het hergebruik is niet alleen mogelijk, maar ook zeker.

In lijn met het bovenstaande heeft de Raad van State in 2007 (zaaknummer 200605553/1) geoordeeld dat een partij kapotte televisietoestellen als afvalstof is aan te merken. In deze uitspraak was het niet van belang dat de televisies een positieve economische waarde hadden (dus nog verkoopbaar waren).

 

Gevaarlijk afval of niet-gevaarlijk afval 

Afgedankte elektr(on)ische apparatuur, zoals televisies, (als afvalstof) kan als gevaarlijk of niet-gevaarlijk worden aangemerkt. Dit wordt bepaald door de Europese Afvalstoffenlijst (Eural). 

De status wel of niet-gevaarlijk is van belang om te bepalen wie het bevoegd gezag is (gemeente of provincie) bij vergunningverlening voor de opslag en be- en verwerking. En het is ook van belang bij indeling als afvalstof op de groene of oranje lijst bij grensoverschrijdend transport van afvalstoffen.

 

Het criterium voor het wel of niet-gevaarlijk zijn van afgedankte apparatuur in de Eural is of de apparatuur ‘gevaarlijke onderdelen’ bevat. In een voetnoot wordt een aantal voorbeelden genoemd van gevaarlijke onderdelen, waaronder ‘kathodestraalbuizen of ander geactiveerd glas’. Conventionele CRT-televisies bevatten deze kathodestraalbuizen en zijn daarmee gevaarlijk afval. Moderne, platte LCD/TFT-televisies bevatten geen kathodestraalbuizen, maar de achtergrondverlichting bevat kwik. Daarmee zijn ook deze televisies een gevaarlijke afvalstof. Afgedankte TV’s hebben de euralcode 20 01 35* of 16 02 13*.

Bovenstaand verhaal geldt overigens ook voor beeldschermen van computers.

 

Voor meer informatie over de Eural zie www.vrom.nl/eural 

 

Naar boven
Wijzigingsdatum | 09-02-2010