Gemeente als bevoegd gezag
Gemeenten treden op afvalgebied op als bevoegd gezag. In de Afvalstoffenverordering worden regels gesteld. Maar ook in vergunningen kan een gemeente eisen opleggen aan afvalscheiding en preventie.
| 1. |
Waartoe dient de Afvalstoffenverordening? |
|
Gemeenten dienen in de afvalstoffenverordening regels vast te stellen met betrekking tot de (gescheiden) inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat hierbij onder meer om het aanwijzen van een inzameldienst, maar ook om de inzamelfrequentie of wijze van aanbieden. Bij het opstellen van de verordening houdt de gemeente rekening met het LAP en tevens met haar gemeentelijk milieuprogramma of het gemeentelijk milieubeleidsplan. Gemeenten moeten zorgen voor een effectieve handhaving van de regels uit de afvalstoffenverordening. Voor meer informatie wordt verwezen naar: |
|
Naar boven |
| 2. |
Mogen in de vergunning eisen worden gesteld aan afvalscheiding en -preventie? |
|
Gemeenten verlenen primair vergunningen aan niet-afvalverwerkende bedrijven. Bij de gemeentelijke vergunningverlening verdient preventie, de meest wenselijke vorm van afvalbeheer veel aandacht. In het LAP wordt verwezen naar branchespecifieke handboeken en andere werkdocumenten met preventietips die geschikt zijn als vergunningvoorschrift of als aanvullend voorschrift bij bedrijven die vallen onder een 8.40 AMvB. Gemeenten dienen op basis van het LAP een actieplan op te stellen voor realisering van preventievoorschriften in vergunningen en handhaving van (aanvullende) voorschriften op basis van 8.40 AMvB’s. De richtlijnen voor afvalscheiding door bedrijven in het LAP zijn relevant voor gemeentelijke vergunningen aan niet afvalbedrijven. Het LAP kan aanleiding zijn voor opname van vergunningvoorschriften voor gescheiden opslag of het verplicht afvoeren naar een verwerker die het afval conform de daarvoor geldende minimumstandaard verwerkt. |
|
Naar boven |
| 3. |
Wat betekent de minimumstandaard voor afvalverwerkende bedrijven? |
|
De gemeente is soms ook vergunningverlener voor bedrijven die hun eigen afval verwerken. Hierbij moet de gemeentelijke vergunningverlener een aanvraag toetsen aan de minimumstandaard uit het LAP. Voorbeelden zijn bedrijven die afvalhout in een eigen ketel verstoken en galvanische bedrijven die hun eigen afvalbaden verwerken. Het LAP bevat criteria voor onderscheid tussen afval en niet-afval. Dit is relevant wanneer een bedrijf een reststof uit een ander bedrijf inzet. Als deze reststof aan het criterium van niet-afvalstof voldoet, is het ontvangende bedrijf geen afvalverwerker en is of blijft de gemeente vergunningverlener. |
|
Naar boven |
| 4. |
Mag de gemeente toestaan dat afval wordt verbrand buiten een AVI? |
|
Sinds 23 mei 2003 is er een landelijk stookverbod voor het verbranden buiten inrichtingen (artikel 10.2 van de Wet milieubeheer). Het landelijke beleid heeft als doel het verbranden in de open lucht te beperken, omdat dit meestal slecht is voor het milieu en er veelal alternatieven zijn zoals versnipperen en afvoeren naar een biomassa-energiecentrale of composteerinrichting. Het college van burgemeester en wethouders heeft met artikel 10.63 van de Wet milieubeheer de mogelijkheid om, na zorgvuldige afweging, ontheffing te verlenen van dit verbod. Ontheffing wordt vaak aangevraagd omdat de verbranding van snoeihout, riet en dergelijke als een verworven recht wordt beschouwd. Er zijn gemeenten die verbranden in de open lucht nauwelijks toestaan en gemeenten die hier ruimhartiger mee omgaan. Meer informatie is te vinden op de site www.vng.nl. |
|
Naar boven |
| 5. |
Onder welke voorwaarden is storten van afval buiten een stortplaats toegestaan? |
|
Bermmaaisel, oogstrestanten, heideplagsel (en maaisel) en tarragrond zijn vrijgesteld van het stortverbod buiten inrichtingen. In de vrijstellingsregeling zijn een aantal voorwaarden opgenomen. De specifiek genoemde afvalstromen moeten schoon en onverdacht zijn, moeten (behalve tarragrond) gelijkmatig worden verspreid over het perceel en de toepassing mag niet significant bijdragen aan de verspreiding van nutrienten en zware metalen. Daarnaast gelden per afvalstroom nog specifiekere voorwaarden omtrent afstand (tussen plaats van vrijkomen en plaats waar het op de bodem wordt gebracht) en eerdere teelt. Meer informatie hierover is te vinden in het Informatiedocument Vrijstellingsregeling groenafval en tarragrond. |
|
Naar boven |
| 6. |
Hoe ligt de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenten en provincies op afvalgebied? |
|
In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb) is de bevoegdheidsverdeling tussen provincie en gemeente voor de verlening van de Wm-vergunning geregeld. Met betrekking tot opslag van bedrijfsafvalstoffen zijn gemeenten bevoegd gezag voor inrichtingen met een opslagcapaciteit van bedrijfsafvalstoffen tot 1.000 m3. Voorheen was de grens 50 m3. Ook zijn gemeenten bevoegd gezag voor inrichtingen voor het be- of verwerken van bedrijfsafvalstoffen en huishoudelijke afvalstoffen met een jaarcapaciteit van ten hoogste 15 kton. Voorheen was provincie altijd bevoegd gezag voor deze inrichtingen. Uitgebreidere informatie kunt u vinden in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Ivb milieubeheer. Deze kunt u hier downloaden. |
|
Naar boven |
|
Wijzigingsdatum | 22-01-2010
|
|