Gemeente als beleidsmaker
Lokaal afvalbeleid kan, maar moet passen binnen de kaders van het landelijk beleid. In het gemeentelijk milieubeleidsplan en -programma worden de lokale doelen voor afvalpreventie en -scheiding neergelegd.
| 1. |
Waar vind ik informatie over het landelijk afvalbeleid? |
|
Het afvalstoffenbeleid is op nationaal niveau verankerd in het LAP dat door de Minister van VROM eens per zes jaar wordt vastgesteld. Op 03-03-03 is het eerste Landelijk afvalbeheerplan (LAP) in werking getreden. De geldingsduur van dat plan was van 2003 tot en met 2009. Het voorliggende tweede LAP is geldig van 2009 tot en met 2015, met een doorkijk tot 2021. Lees meer op de LAP2-website. |
|
Naar boven |
| 2. |
Wat betekent het landelijk afvalbeleid voor gemeenten? |
|
Gelet op de bepalingen in de Wm moeten bestuursorganen, en dus ook gemeenten, bij de uitoefening van bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen rekening houden met het LAP. Er is sprake van een horizontale binding voor de Minister van VROM die het LAP vaststelt, en een verticale binding voor bestuursorganen die medeverantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het LAP. Door deze verticale binding onderscheidt het LAP zich van overige in de Wm geregelde milieubeleidsplannen. Bij die plannen is namelijk alleen het bestuursorgaan dat het LAP vaststelt, verplicht er rekening mee te houden. |
|
Naar boven |
| 3. |
Hoe stemmen de verschillende overheden het afvalbeleid af? |
|
Tot begin 2006 bestond het Afval Overleg Orgaan, als bestuurlijk platform van gemeenten, provincies en rijk, voor de afstemming van het afvalbeleid. De taken en het overleg zijn sindsdien overgegaan naar het DUIV. Dit is het periodieke overleg van het Directoraat Milieu, Unie van Waterschappen, Interprovinciaal overleg en Vereniging van Nederlandse Gemeenten over milieuaangelegenheden. De rol van het Afval Overleg Orgaan als kenniscentrum voor overheden en bedrijven op het gebied van afvalbeheer is overgenomen door SenterNovem Uitvoering Afvalbeheer, nu NL Milieu en Leefomgeving. |
|
Naar boven |
| 4. |
Is een gemeentelijk milieubeleidsplan verplicht? |
|
De gemeente kan in haar gemeentelijk milieubeleidsplan lijnen uitzetten waarlangs zij de komende jaren haar afvalbeheer vorm wil geven. Hierbij gaat het met name om de vertaling van het landelijke afvalbeleid naar de gemeentelijke situatie. Veelal betreft het uitvoeringsvraagstukken. De gemeente kan in het milieubeleidplan bijvoorbeeld concrete invulling geven aan de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling, keuzen voor inzamelsystemen, stimuleren van afvalscheiding en preventie. |
|
Naar boven |
| 5. |
Wat staat over afvalbeheer in een gemeentelijk milieuprogramma? |
|
Iedere gemeente stelt jaarlijks een milieuprogramma vast waarin de activiteiten zijn uitgewerkt die de gemeente in de betrokken periode gaat verrichten. Wanneer de gemeente een milieubeleidsplan heeft vastgesteld, wordt hiermee bij het opstellen van het milieuprogramma rekening mee gehouden. Net als bij het gemeentelijk milieubeleidsplan, is ook voor het milieuprogramma het LAP bepalend voor de ruimte die de gemeente heeft om het afvalbeheer lokaal in te vullen. |
|
Naar boven |
| 6. |
Hoe pak ik zwerfafval aan? |
|
De aanpak van zwerfafval speelt een belangrijke rol bij het beheer van de openbare ruimte. Zwerfafval scoort hoog op de tien ergernissen van de burgers. Het probleem is de laatste jaren steeds groter geworden en staat hoog op de politieke agenda. Om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak van zwerfafval heeft Uitvoering Afvalbeheer een apart programma voor de aanpak van zwerfafval. Meer informatie is te vinden elders op deze website en op www.samenwerkenaaneenschonernederland.nl. |
|
Naar boven |
| 7. |
Hoe ziet lokaal beleid voor afvalpreventie er uit? |
|
Afvalpreventie vormt een belangrijk onderdeel van het afvalstoffenbeleid. Preventie gaat, in de beheersvolgorde die in de Wm is vastgelegd, vooraf aan nuttige toepassing, verbranden en storten. Gemeenten geven op lokaal niveau invulling aan preventiebeleid, gericht op burgers en op bedrijven. In het gemeentelijk preventiebeleid staat een gedragsverandering centraal. Dit maakt een goed gecoördineerde inzet van het instrumentarium noodzakelijk. Het gaat daarbij om meer dan alleen coördinatie vanuit de diverse gemeentelijke organisatie-onderdelen.
Een planmatige aanpak en samenwerking bij de invulling van het preventiebeleid, bijvoorbeeld door participatie in regionale en/of provinciale steunpunten voor preventie (en hergebruik) en/of het werken met preventieteams, is in meerdere gemeenten succesvol gebleken.
Daarnaast zijn ook andere instanties, zoals branche-organisaties, bedrijfsmilieudiensten, innovatiecentra, centra voor natuur- en milieueducatie en scholen, bezig met afvalpreventie. Een bundeling en planmatige uitvoering van de preventie-activiteiten gericht op de doelgroepen, maken een succesvol preventiebeleid kansrijker. |
|
Naar boven |
| 8. |
Hoe kan ik burgers motiveren om afval te voorkomen en te scheiden? |
|
De doelgroep huishoudens vraagt als moeilijk bereikbare doelgroep de aandacht. Voorlichting en educatie, motivatiecampagnes, voorzieningen ('sticker reclamedrukwerk'), regels in de afvalstoffenverordening en de differentiatie van afvaltarieven maken in diverse gemeenten onderdeel uit van het preventiebeleid voor de huishoudens. Een aantal gemeenten voert preventiebeleid in het kader van een wijkgericht afvalbeheer en/of Ecoteams. Zelden worden goed werkende communicatie-activiteiten gericht op preventie op een praktische wijze vastgelegd, zodat ook andere gemeenten hiervan gebruik zouden kunnen maken. De vraag naar ideeën is echter groot. Uitvoering Afvalbeheer inventariseert voortdurend in het kader van het Stimuleringsprogramma afvalscheiding en afvalpreventie praktijkvoorbeelden. |
|
Naar boven |
| 10. |
Hoe werken nationale afvalscheidingsdoelen door in het lokale beleid? |
|
In het LAP is als doelstelling opgenomen dat maximaal 40% van het huishoudelijk afval (inclusief grof huishoudelijk afval) verwijderd mag worden (verbranden en storten zijn vormen van verwijderen). Deze landelijke doelstelling geldt voor alle gemeenten samen. Om dit te bereiken is tenminste 60% nuttige toepassing nodig in de vorm van scheiding aan de bron en/of nascheiding (met het vervolgens nuttig toepassen van de verkregen fracties). Geschat is dat de komende jaren ongeveer 5% nuttige toepassing mogelijk is via nascheiding. Er moet dan nog 55 procent van het afval aan de bron worden gescheiden. |
|
Naar boven |
| 11. |
Hoe hoog is een haalbaar inzamelniveau voor mijn gemeente? |
|
Hoe kleiner de gemeente, des te eenvoudiger het is om een hoge respons bij gescheiden afvalinzameling te halen. Doelstellingen die voor alle gemeenten gelijk zijn, zijn met name voor de meer verstedelijkte gemeenten onbereikbaar, terwijl de kleine gemeenten ze zonder veel inspanning realiseren. De roep van gemeenten om beter op de praktijk afgestemde doelstellingen, is vertaald naar gedifferentieerde doelstellingen per stedelijkheidsklasse. Dit is gedaan omdat in de praktijk blijkt dat de afvalscheiding verschilt per stedelijkheidsklasse. Op basis van de in 2000 gehaalde resultaten, is per stedelijkheidsklasse en per component het gemiddelde niveau van afvalscheiding bepaald. De gemiddelde niveaus gecombineerd met het in het restafval nog aanwezige afval zijn vervolgens gebruikt om een haalbaar inzamelniveau te bepalen. Dit zijn de per stedelijkheidsklasse gedifferentieerde doelstellingen voor bronscheiding (zie ook tabel 1). Tabel 1 Richtlijnen voor bronscheiding per component (in kg per inwoner) Stedelijkheidsklasse | GFT-afval | Papier | Glas | Textiel | KCA | Grof vuil (%) |
|---|
1 | 35 | 60 | 20 | 5 | 2 | 75 | 2 | 85 | 75 | 23 | 5 | 2 | 75 | 3 | 105 | 85 | 23 | 5 | 2 | 75 | 4 | 125 | 90 | 23 | 5 | 2 | 75 | 5 | 140 | 95 | 23 | 5 | 2 | 75 |
|
|
Naar boven |
| 12. |
Hoe verbeter ik de afvalscheiding in mijn gemeente? |
|
1. De gemeente moet eerst bepalen in welke stedelijkheidsklasse zij zit. Zoals in tabel 1 is aangegeven, heeft elke stedelijkheidsklasse haar eigen doelstelling voor bronscheiding. 2. Op de tweede plaats moet een gemeente bepalen of de doelstelling voor bronscheiding wordt gehaald. Dit wordt gedaan door de verhouding te bepalen tussen de hoeveelheid afval afkomstig van huishoudens (huishoudelijk afval en grof huishoudelijk afval samen) dat aan de bron wordt gescheiden (en hergebruikt) en de totale hoeveelheid huishoudelijk afval (inclusief grof huishoudelijk afval) dat wordt ingezameld (gescheiden en rest samen). Een vergelijking maken met andere gemeenten kan via de handige tool ‘Kijk en vergelijk’. 3. Als de voor de betreffende stedelijkheidsklasse afgesproken doelstelling nog niet wordt gehaald en een gemeente wil nagaan of het inzamelen van een bepaalde component extra inspanning vergt, is het in eerste instantie aan te raden gebruik te maken van de verschillende richtlijnen per component. Deze richtlijnen geven gemeenten een referentiekader/indicatie van wat binnen een stedelijkheidsklasse als gemiddeld haalbaar wordt geacht. Op basis van een dergelijke vergelijking kan een gemeente zien op welke component(en) zij mogelijk 'onder de maat' scoort. Er kan echter niet alleen afgegaan worden op het wel of niet halen van de richtlijnen. Als getwijfeld wordt aan de toepasbaarheid van de richtlijn is het raadzaam om met behulp van sorteeranalyses van de samenstelling van het restafval verder te zoeken. Op basis van de resultaten van sorteeranalyses krijgt men inzicht in de componenten met optimalisatiemogelijkheden. 4. Het is dan met name zaak acties te ondernemen op afvalstromen met een groot aanwezig potentieel. |
|
Naar boven |
| 13. |
Welke subsidies en stimuleringsprogramma’s zijn er voor gemeenten beschikbaar? |
|
Om gemeenten te ondersteunen bij het verbeteren van de gescheiden inzameling en preventie kenden de gezamenlijke overheden het 'Stimuleringsprogramma afvalscheiding en afvalpreventie van huishoudelijk afval (STAP)'. En om de aanpak van zwerfafval te stimuleren het programma Aanpak zwerfafval. In deze programma’s zijn de activiteiten daartoe van de overheden vastgelegd. Dit zijn concrete projecten waarin kennisontsluiting en het elkaar informeren centraal staan. Daarnaast werden gemeenten die hun afvalscheiding willen verbeteren of zwerfafval willen aanpakken, financieel ondersteund door de subsidieregeling SAM. Het programma STAP en de subsidieregeling SAM werden uitgevoerd door Uitvoering Afvalbeheer van SenterNovem, nu NL Milieu en Leefomgeving. |
|
Naar boven |
|
Wijzigingsdatum | 22-01-2010
|
|