Nederlands biobrandstoffenbeleidDe sector verkeer en vervoer is verantwoordelijk voor ongeveer 20 procent van de nationale CO2-emissies. Omdat in veel andere sectoren al belangrijke emissiereducties worden bereikt, zal het relatieve aandeel van verkeer toenemen. Om de stijgende CO2-emissies van de transportsector een halt toe te roepen, zet de Nederlandse overheid onder andere in op het stimuleren van het gebruik van biobrandstoffen. Daarnaast vergroot de inzet van biobrandstoffen de energievoorzieningszekerheid en kan eigen productie van biobrandstoffen werkgelegenheid bieden. Deze laatste redenen, die in andere landen (zoals energiezekerheid in de Verenigde Staten) leidend zijn, zijn voor Nederland van minder groot belang. Met de maatregelen op het gebied van biobrandstoffen beoogt het Ministerie van VROM belangrijke stappen op het gebied van duurzame energievoorziening te zetten. In 2007 moest 2 procent van de in Nederland op de markt gebrachte benzine en diesel uit biobrandstoffen bestaan. Aanvankelijk zou dit percentage, in lijn met de Europese Richtlijn 2003/30/EG, oplopen tot 5,75 procent in 2010. Nederland heeft echter in oktober 2008 de biobrandstoffendoelstellingen voor 2009 en 2010 aangepast vanwege zorgen over de duurzaamheid van de biobrandstoffen. Voor 2010 geldt nu een verplicht aandeel biobrandstoffen van 4 procent. Het Nederlandse biobrandstoffenbeleid wordt in grote mate bepaald door beleidsontwikkelingen op Europees niveau. De in 2009 gepubliceerde Europese richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive, 2009/28/EG) [pdf - 1,3 Mb] schrijft onder meer voor dat in 2020 10 procent van de transportbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen moet komen. Niet alleen biobrandstoffen spelen hierbij een rol, maar ook hernieuwbare elektriciteit en waterstof. In deze richtlijn zijn ook eisen aan de duurzaamheid van biobrandstoffen opgenomen. Dit is ook het geval bij de in 2009 uitgebrachte Europese richtlijn brandstofkwaliteit (Fuel Quality Directive, 2009/30EG) [pdf - 1,1 Mb]. Deze richtlijn schrijft bovendien voor dat brandstofleveranciers geleidelijk de broeikasgasemissies over de gehele levenscyclus van de door hen geleverde brandstoffen moeten reduceren met als einddoel een reductie van 6 procent in 2020, waarbij biobrandstoffen een belangrijk middel zijn om dit te realiseren.
Hieronder worden de belangrijkste elementen van het Nederlandse en Europese biobrandstoffenbeleid nader toegelicht.
1. Verplichtstelling biobrandstoffenSinds 1 januari 2007 zijn de partijen die benzine en diesel op de Nederlandse markt brengen, verplicht om een bepaald percentage (op energiebasis) van hun afzet in de vorm van biobrandstof te leveren. Voor 2007 was het verplichte aandeel biobrandstoffen 2 procent Het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 - versie 18 november 2009 [pdf - 21 Kb] waarin dit wettelijk is geregeld, is in het Staatsblad gepubliceerd. Deze versie bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van de eerste publicatie. In de eerste publicatie [pdf - 71 Kb] vindt u ook de toelichting op de regeling. De artikelen 5.2 en 5.3 waarin de percentages worden weergegeven voor 2009 en 2010 zijn in oktober 2008 bijgesteld. De biobrandstoffendoelstelling voor 2009 is verlaagd van 4,5 naar 3,75 procent. De doelstelling voor 2010 is neerwaarts bijgesteld van 5,75 naar 4 procent. Uitleg hiervoor wordt gegeven in de brief aan de tweede kamer. Eind 2009 is het Besluit biobrandstoffen wegverkeer gewijzigd om zwaardere weging van betere biobrandstoffen mogelijk te maken binnen de biobrandstoffenverplichting. De verplichting tot de levering van biobrandstof is geen bijmengverplichting. Het betreft een verplichting op macroniveau. De zogeheten vergunninghouders (accijnsgoederenplaatsen) die benzine en diesel op de markt brengen, zijn verplicht een bepaald marktaandeel in de vorm van biobrandstoffen te realiseren. De hoeveelheid biobrandstoffen in benzine en diesel mag daarbij per locatie en per tijdstip variëren. Ook pure biobrandstoffen tellen mee, als het verplichte marktaandeel maar wordt gehaald. Tevens kan de verplichting verhandeld worden tussen leveranciers. In het besluit is opgenomen dat bij ministeriële regeling aanvullende eisen kunnen worden gesteld met betrekking tot duurzaamheid. Tevens kunnen categorieën van biobrandstoffen die niet voldoen aan de minimumeisen van duurzaamheid, per ministeriële regeling worden uitgesloten. Naar aanleiding van de richtlijn duurzame energie zal het Nederlandse beleid (op onderdelen) worden aangepast. Het omzetten van de richtlijn naar Nederlandse wet- en regelgeving zal plaatsvinden voor 2011.
2. Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen
Begin 2008 heeft de Tweede Kamer in de Motie Spies gevraagd om onder de biobrandstoffenverplichting biobrandstoffen van een 2e en volgende generatie zwaarder te laten wegen. Dit heeft als doel duurzamere biobrandstoffen meer te stimuleren. Naar aanleiding hiervan is eind 2009 de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen [pdf - 21 Kb] in werking getreden. De regeling omvat eveneens de voorlopige implementatie van een onderdeel van de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) [pdf - 1,3 Mb]. De algehele implementatie van deze richtlijn in de Nederlandse wetgeving, die plaats moet vinden voor eind 2010, leidt mogelijk tot toekomstige amendering van de huidige Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen. De huidige regeling is geldig met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009. Met de regeling kunnen bedrijven die benzine of diesel op de Nederlandse markt brengen bepaalde biobrandstoffen dubbeltellen bij de invulling van hun biobrandstoffenverplichting. Zo kan een bedrijf, dat zijn gehele verplichting voor 2010 zou weten te realiseren met deze betere biobrandstoffen, volstaan met een aandeel biobrandstoffen van 2 procent in plaats van 4 procent. De regeling is van toepassing op biobrandstoffen, die worden geproduceerd uit afval, residuen en lignocellulose materiaal. In de regeling is een begripsbepaling van afval opgenomen. Uitsluitend grondstoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden ingezet dan voor de opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel als veevoer, komen in aanmerking voor dubbeltelling. Indien voor een bepaalde grondstof wél een alternatieve toepassing bestaat dan moet door middel van een marktanalyse worden aangetoond dat er sprake is van een overschot, om in aanmerking te komen voor dubbeltelling. Biobrandstoffen uit lignocellulose materiaal mogen zonder meer worden dubbelgeteld. De regeling is verder alleen van toepassing op biobrandstoffen met een broeikasgasemissiereductie van minimaal 35 procent. Om aan te tonen dat biobrandstoffen in aanmerking komen voor dubbeltelling, moeten bedrijven jaarlijks informatie toezenden aan het Ministerie van VROM, als onderdeel van de rapportage over het verplichte marktaandeel biobrandstoffen (zie artikel 4 lid 3 van het besluit en de Ministeriële Regeling Administratie Biobrandstoffen). De informatie die bedrijven aanleveren, moet vergezeld gaan van een zogeheten verificatieverklaring. Inspectie-instellingen maken gebruik van het verificatieprotocol [pdf - 1,5 Mb] dat is ontwikkeld voor de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen. Dit protocol omvat basisregels, procedures en richtlijnen voor de verificatie van dubbeltellende biobrandstoffen. Op de GAVE website vindt u meer informatie over de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen.
3. Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeerOp 13 december 2006 is de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer [pdf - 508 Kb] gepubliceerd. De regeling stelt nadere eisen aan de administratie met betrekking tot de verkoop van biotransportbrandstoffen zoals bedoeld in het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 - versie 18 november 2009 [pdf - 21 Kb]. Deze versie bevat een aantal wijzigingen t.o.v. de eerste publicatie. In de eerste publicatie [pdf - 71 Kb] vindt u ook de toelichting op de regeling. Voor 1 april van elk jaar dient een vergunninghouder aan VROM te rapporteren over het nakomen van de verplichtingen van het jaar ervoor. In deze rapportage zijn overzichten opgenomen met de geleverde hoeveelheden en soorten biobrandstoffen en de geleverde hoeveelheden ongelode lichte olie en gasolie. Uit de rapportage moet blijken dat is voldaan aan de verplichte percentages voor de levering van biobrandstoffen. De handhaving van het besluit en deze regeling, zoals controle op de administratie, zal plaatsvinden door het Inspectoraat-Generaal VROM (VROM-inspectie) op basis van de Wet milieugevaarlijke stoffen. De beoordeling of een vergunninghouder de verplichte levering van biobrandstoffen is nagekomen, wordt uitgevoerd aan de hand van de jaarlijkse rapportage. Voor deze beoordeling kan de VROM-inspectie verder inzage in de boekhouding van de vergunninghouder verlangen. Naar aanleiding van de eerste rapportage [Word - 57 Kb]) heeft de minister een aantal voorstellen gedaan ter verbetering van de handhaafbaarheid van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 (zie Kamerbrief [Word - 110 Kb]). De Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer [pdf - 430 Kb] is op 8 februari 2010 aangepast om het voor verplichte partijen mogelijk te maken om naast de biobrandstoffen die in de Regeling worden genoemd, ook andere biobrandstoffen (toegevoegde categorie "Overige geleverde biobrandstoffen") mee te laten tellen voor de verplichting.
4. Biotickets, het administratief verhandelen van biobrandstoffenLeveranciers van benzine en diesel kunnen aan de biobrandstofverplichting voldoen door zelf biobrandstoffen op de markt te brengen, maar ook door op de markt gebrachte biobrandstoffen van anderen in te kopen. Dit administratief verhandelen van biobrandstoffen vindt plaats in de vorm van zogenaamde biotickets. In onderstaand downloadable document [pdf - 19 Kb] komen aan bod: - de achtergrond van biotickets
- wat zijn biotickets?
- de markt en de verhandeling van biotickets
- de prijsvorming van biotickets
- tenslotte wordt een voorbeeldcontract van een bioticket gegeven.
5. Europese richtlijn biobrandstoffen (2003/30/EG)De Europese biobrandstoffenrichtlijn [pdf - 120 Kb] uit 2003 verplicht lidstaten om zich in te spannen om biobrandstoffen voor het wegverkeer op de markt te krijgen. Steun aan de landbouw, bevorderen van de energievoorzieningszekerheid en broeikasgasemissiereductie waren aanleiding in de Europese Unie voor dit initiatief. Volgens deze richtlijn moest in 2005 2 procent van de energie-inhoud van fossiele brandstoffen uit biobrandstoffen bestaan, oplopend tot 5,75 procent in 2010. Deze percentages zijn streefwaarden. Lidstaten zijn niet verplicht ze over te nemen. Nederland heeft in oktober 2008 besloten deze streefwaarden bij te stellen. Lidstaten kunnen kiezen tussen het bijmengen van kleine hoeveelheden biobrandstof bij fossiele brandstoffen en het op de markt brengen van hogere blends (bijvoorbeeld bio-ethanol in de vorm van E85) of pure biobrandstoffen (bijvoorbeeld pure biodiesel, B100). Bijmengen in lage percentages heeft als voordeel dat deze mengsels in gewone benzine- en dieselauto's kunnen worden gebruikt. Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) in werking getreden. Eind 2010 moet deze richtlijn zijn geïmplementeerd in de nationale biobrandstoffenwetgeving in de Europese lidstaten. Met de implementatie van deze richtlijn wordt de Biobrandstoffenrichtlijn 2003/30/EG ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.
6. Europese richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive, 2009/28/EG)
Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, [pdf - 1,3 Mb] oftewel de Renewable Energy Directive (2009/28/EG) in werking getreden. Deze richtlijn schrijft voor dat in 2020 in de Europese Unie als geheel minimaal 20 procent van het energiegebruik moet bestaan uit hernieuwbare bronnen. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2010 geïmplementeerd zijn in de nationale wetgeving van de Europese lidstaten. Elke lidstaat stelt hiertoe een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Hierin moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit, verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld. Deze algemene nationale doelstellingen verschillen per lidstaat (zie Bijlage I, deel A van de richtlijn). Voor Nederland is het nationale algemene streefcijfer 14 procent. De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen ook aangeven welke maatregelen zijn/worden genomen om deze doelstellingen te behalen. Met de implementatie van de Europese richtlijn hernieuwbare energie worden zowel de Duurzame elektriciteitsrichtlijn uit 2001 (2001/77/EG) en de Biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012. Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, [link naar RED] oftewel de Renewable Energy Directive (2009/28/EG) in werking getreden. Deze richtlijn schrijft voor dat in 2020 in de Europese Unie als geheel minimaal 20 procent van het energiegebruik moet bestaan uit hernieuwbare bronnen. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2010 geïmplementeerd zijn in de nationale wetgeving van de Europese lidstaten. Elke lidstaat stelt hiertoe een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Hierin moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit, verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld. Deze algemene nationale doelstellingen verschillen per lidstaat (zie Bijlage I, deel A van de richtlijn). Voor Nederland is het nationale algemene streefcijfer 14 procent. De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen ook aangeven welke maatregelen zijn/worden genomen om deze doelstellingen te behalen. Met de implementatie van de Europese richtlijn hernieuwbare energie worden zowel de Duurzame elektriciteitsrichtlijn uit 2001 (2001/77/EG) en de Biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012. De richtlijn hernieuwbare energie schrijft voor de sector verkeer en vervoer een specifieke doelstelling voor, namelijk dat in 2020 minimaal 10 procent van alle transportbrandstoffen (benzine, diesel, biobrandstoffen in weg- en railvervoer en elektriciteit) uit hernieuwbare bronnen moet komen. Het kan hierbij gaan om biobrandstoffen (bijvoorbeeld biodiesel en bio-ethanol) maar ook hernieuwbare elektriciteit en waterstof tellen mee voor de doelstelling. Brandstofmengsels met een aandeel biobrandstof hoger dan 10 volume-procent moeten een apart label krijgen op verkooppunten. Biotransportbrandstoffen op basis van afval, reststromen, non-food cellulose materiaal en ligno-cellulose tellen dubbel mee voor de nationale doelstelling en/of de verplichting voor biobrandstoffen (Art 21, 2), en de (hernieuwbare) energie die wordt verbruikt door elektrische voertuigen telt 2,5 maal bij het voldoen aan de doelstelling in de richtlijn. In Nederland is eind 2009 de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen in werking getreden. Om biobrandstoffen mee te mogen tellen voor de doelstelling moeten deze aan bepaalde duurzaamheidseisen voldoen. Dit geldt ook voor het mogen meetellen van biobrandstoffen voor een biobrandstoffenverplichting (zoals in Nederland) en voor het in aanmerking laten komen van biobrandstoffen voor financiële steun. Deze duurzaamheidseisen zijn van toepassing op zowel biobrandstoffen als op vloeibare biomassa die gebruikt wordt voor elektriciteit- of warmteproductie. Zo moet de reductie van broeikasgasemissies, gemeten over de gehele keten van productie van grondstof tot eindgebruik en ten opzichte van fossiele brandstoffen, tenminste 35 procent zijn. Deze eis is van toepassing op alle installaties die na 23 januari 2008 operationeel worden of zijn geworden. Voor installaties die voor deze datum opgeleverd zijn, geldt de minimumeis pas vanaf 1 april 2013. Met ingang van 1 januari 2017 wordt de eis met betrekking tot broeikasgasemissiereductie aangescherpt tot minimaal 50 procent. Vanaf 1 januari 2018 wordt dit minstens 60 procent voor installaties die op of na 1 januari 2017 operationeel zijn geworden. In de richtlijn schrijft de Europese Commissie voor hoe de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) moet worden bepaald (zie Artikel 19 en Bijlage V). Men kan gebruik maken van de standaardwaarden, of feitelijke waarden gebruiken mits deze worden berekend volgens de methodologie beschreven in de richtlijn. Een combinatie van feitelijke waarden en standaardwaarden per processtap is eveneens toegestaan. De totale broeikasgasemissies moeten worden uitgedrukt in gram CO2-equivalenten per Megajoule biobrandstof (gCO2-eq/MJ). Wanneer een productieproces naast biobrandstoffen ook co-producten oplevert, dan moeten de broeikasgasemissies van het gehele proces aan de diverse producten worden toegerekend (allocatie) op basis van hun energie-inhoud (Lower Heating Value). In de richtlijn worden enkele co-producten genoemd waarvan de energie-inhoud ten behoeve van de berekening op nul wordt gesteld en die dus niet meegenomen hoeven te worden in de berekening. Naast de eisen met betrekking tot broeikasgasreductie, moeten biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) aan enkele andere duurzaamheidseisen voldoen. De biomassa mag niet afkomstig zijn van land met een hoge biodiversiteitswaarde zoals oerbos, beschermde natuurgebieden en graslanden met een grote biodiversiteit. Ook mag de biomassa niet geproduceerd zijn op land met hoge koolstofvoorraden, zoals waterrijke gebieden en permanent beboste gebieden. Dit geldt ook voor veengebied, tenzij aangetoond wordt dat de biomassaproductie niet leidt tot ontwatering van voorheen niet-ontwaterde bodem. Voor bovenstaande is de status van gronden in januari 2008 bepalend. Er wordt een rapportageverplichting ingevoerd voor bedrijven over andere milieueffecten, zoals bodem, water en lucht. Ook wordt gerapporteerd over het herstel van verarmde gronden, sociale aspecten, voedselprijzen en landgebruiksrechten. Dit laatste is belangrijk voor inheemse bevolkingsgroepen. Indirecte effecten of verdringingseffecten die kunnen optreden als gevolg van het gebruik van biobrandstoffen worden eveneens behandeld in de richtlijn. De Europese Commissie zal elke twee jaar een rapportage uitbrengen over deze aspecten. Die rapportage zal bijvoorbeeld gaan over de methode om indirecte effecten in kaart te brengen. Daarnaast worden de gevolgen voor de voedselprijzen en voedselzekerheid duidelijk gemaakt. In 2014 wordt een eerste evaluatie gehouden.
7. Europese richtlijn brandstofkwaliteit (Fuel Quality Directive, 30/2009/EG)Op 23 april 2009 is de nieuwe Europese richtlijn brandstofkwaliteit, [pdf - 1,1 Mb] oftewel de Fuel Quality Directive (2009/30/EG) gepubliceerd. Het doel van deze richtlijn is het reduceren van de belangrijkste vervuilende emissies tijdens de productie en het gebruik van brandstoffen. Ook moet de richtlijn een bijdrage leveren aan het realiseren van de Europese reductiedoelstelling voor broeikasgasemissies van 20 procent in 2020. De Brandstofkwaliteitsrichtlijn schrijft voor dat vanaf 1 januari 2011 brandstofleveranciers jaarlijks moeten gaan rapporteren over de broeikasgasintensiteit van de door hen verkochte brandstoffen en energie. Met broeikasgasintensiteit wordt bedoeld de hoeveelheid broeikasgasemissies over de gehele levenscyclus van de brandstof, per eenheid energie. Verder moeten de Europese lidstaten brandstofleveranciers ertoe verplichten om stapsgewijs de broeikasgasintensiteit van de geleverde brandstoffen te reduceren met maximaal 10 procent voor 31 december 2020. De vermindering van de broeikasgasintensiteit moet uiterlijk op deze datum ten minste 6 procent bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde Europese gemiddelde broeikasgasintensiteit van fossiele brandstoffen. Deze doelstelling moet worden gerealiseerd door middel van het gebruik van biobrandstoffen, alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olieproductie-installaties. Dit percentage kan bij de herziening in 2014, onder meer afhankelijk van de grootschalige beschiikbaarheid van technieken zoals elektrisch vervoer en koolstofvastlegging (CCS), verhoogd worden tot 10 procent in 2020. Biobrandstoffen mogen alleen worden meegeteld voor de doelstelling als zij aan de duurzaamheidscriteria in de richtlijn voldoen. Deze zijn hetzelfde als de duurzaamheidscriteria in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). De berekening van de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen gebeurt ook op dezelfde wijze. Naast broeikasgasemissiereductie- en duurzaamheidseisen bevat de Brandstofkwaliteitsrichtlijn ook technische specificaties voor transportbrandstoffen en houdt daarmee een wijziging in van de Brandstofkwaliteitsrichtlijn (98/70/EG) [pdf - 107 Kb] uit 1998. Met deze richtlijn wordt het mogelijk om hogere percentages biobrandstof bij te mengen in standaardbenzine of -diesel. Voor benzine geldt dat maximaal 10 volume-procent ethanol (E10) en maximaal 22 volume-procent ETBE bijgemengd mag worden. De richtlijn bevat ook maximale gehaltes voor enkele andere alcoholen (zie Annex I). Voor bijmenging van ethanol stelt de richtlijn dat benzine met 5 volume-procent (E5) tenminste tot 2013 beschikbaar moet blijven in verband met bestaande auto’s, die geen garantie hebben om benzine te gebruiken met een hoger biobrandstofgehalte. Standaarddiesel mag volgens de nieuwe richtlijn maximaal 7 volume-procent biodiesel (FAME) bevatten, mits de biodiesel voldoet aan de FAME norm EN 14214. Dit percentage is hoger dan in de huidige dieselnorm EN590, waarin het maximale gehalte 5 volume-procent bedraagt. De Europese Commissie moedigt het Europese Commitee voor Standaardisatie (CEN) aan om te blijven werken aan een norm om hogere gehaltes biobrandstof in diesel te mogen mengen, met name voor B10.
8. Duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen Het gebruik van biomassa als energiebron maakt deel uit van de transitie naar een duurzame energievoorziening. Het grootschalige gebruik van biomassa kan echter negatieve effecten hebben op biodiversiteit, de positie van de armen en voedselvoorziening, terwijl ook de klimaateffecten negatief kunnen zijn. De duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen is daarom een randvoorwaarde van de Nederlandse ambitie om de inzet van bioenergie te bevorderen. Ter voorbereiding van beleidsontwikkeling op dit gebied heeft de Nederlandse overheid advies gevraagd over duurzaamheidscriteria voor biomassa aan de onafhankelijke projectgroep Duurzame productie van biomassa, onder voorzitterschap van Jacqueline Cramer. Deze projectgroep is ook wel bekend als de Commissie Cramer. Met de publicatie van het rapport [pdf - 924 Kb] van deze commissie (juli 2006) zijn in Nederland breed gedragen duurzaamheidscriteria beschikbaar gekomen voor de productie en bewerking van biomassa in energie, brandstoffen en chemie. Deze criteria hebben betrekking op de volgende zes thema’s: broeikasgasemissies, concurrentie met voedsel, biodiversiteit, milieu, welvaart en welzijn. Een belangrijk deel van deze duurzaamheidscriteria voor biomassa is door de Europese Commissie overgenomen in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (28/2009/EG). In februari 2007 bracht de Commissie Cramer haar eindrapport "Toetsingskader voor duurzame biomassa" [pdf - 1 Mb] uit. In 2008 hebben de ministers Cramer en Koenders, van respectievelijk VROM en Ontwikkelingssamenwerking, aangegeven in een brief [pdf - 103 Kb] aan de Tweede Kamer hoe ze in de periode 2008 - 2011 invulling denken te geven aan het duurzaamheidsbeleid. Biobrandstoffen maken deel uit van dat beleid. Daarbij is het voornemen om duurzaam geproduceerde biobrandstoffen bij te laten dragen aan een duurzame energiehuishouding. Inzet is verduurzaming van de productie van biobrandstoffen en versterkte internationale samenwerking op dit terrein, opdat alle biobrandstoffen op de internationale markten duurzaam worden geproduceerd. Het beleid moet de komende jaren de volgende resultaten hebben: - Proefprojecten verduurzaming biomassa in samenwerking met productielanden komen in uitvoering.
- Een politiek akkoord over de Europese richtlijn hernieuwbare energie moet totstandgebracht worden en de eerste gecertificeerde biomassa moet op de markt in Nederland komen.
- Het Europees Energie- en klimaatpakket inclusief duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en certificering wordt aangenomen en geïmplementeerd.
- Innovatie wordt gericht op tweede en derde generatie biobrandstoffen en nieuwe gewassen en technieken, die minder concurreren met landbouw en kwetsbare natuur (bijvoorbeeld teelten in zoute gebieden of op arme gronden).
- Een internationaal systeem voor macro-monitoring om de (directe en indirecte) effecten van productie en consumptie van biomassa in beeld te houden en de toepassing van de duurzaamheidscriteria te volgen wordt in werking gebracht.
- De EU-regelgeving wordt in Nederland geïmplementeerd.
- Verduurzaamde biomassaproductie in ontwikkelingslanden wordt gestimuleerd en er wordt getracht om de productie in minstens twee ontwikkelingslanden daadwerkelijk op gang te brengen.
Bovendien is het plan opgevat om jaarlijks na het verschijnen van de Duurzaamheidmonitor een overzichtsnotitie naar de Tweede Kamer te zenden, waarin zal worden beschreven welke voortgang is gerealiseerd met de in de brief geschetste aanpak en welke conclusies worden getrokken uit de Duurzaamheidmonitor. Om certificatie van duurzaam geproduceerde biomassa voor energietoepassingen mogelijk te maken is in maart 2009 de Nederlands Technische Afspraak (NTA) 8080 Duurzaamheidscriteria voor duurzame biomassa ten behoeve van energiedoeleinden. De NTA 8080 omvat een uitwerking van de duurzaamheidscriteria zoals vastgesteld door de projectgroep Duurzame productie van biomassa (de Commissie Cramer). Het betreft zowel vaste en vloeibare als gasvormige biomassa. De NTA 8080 is bedoeld om te worden toegepast bij organisaties die biomassa voor energietoepassingen willen produceren, verwerken, verhandelen of inzetten en daarbij willen aantonen dat de biomassa duurzaam geproduceerd is, zodat deze als zodanig kan worden verkocht of ingezet. Mogelijk zal de NTA 8080 ook geaccepteerd worden als bewijs dat aan de duurzaamheidseisen van de richtlijn is voldaan. De regels om te kunnen worden gecertificeerd tegen de eisen uit de NTA 8080, worden vastgelegd in de NTA 8081 Certificatieschema voor duurzaam geproduceerde biomassa ten behoeve van energiedoeleinden. De NTA 8081 is momenteel in ontwikkeling. Voortbouwend op het eerdere werk van de Commissie Cramer, is op 29 juni 2009 de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (CDB) ingesteld, onder voorzitterschap van Dorette Corbey. De commissie wordt ook wel de Commissie Corbey genoemd. De commissie heeft als belangrijkste taken de regering gevraagd en ongevraagd te adviseren over duurzaamheid bij de productie en gebruik van biomassa en het bieden van een forum voor maatschappelijke discussie. Achtergrond is de Europese richtlijn hernieuwbare energie die de lidstaten verplicht tot 20 procent hernieuwbare energie (gemiddeld over de lidstaten) en 10 procent hernieuwbare transportbrandstoffen in 2020. De CDB heeft in november 2009 haar eerste drie adviezen uitgebracht: - Transparantie. Door een rapportageplicht voor brandstofleveranciers over de aard en herkomst van biobrandstoffen kan de overheid bijsturen indien nodig en kunnen consumenten kiezen voor duurzaamheid.
- Eerlijke concurrentie. Duurzaamheidscriteria moeten niet alleen gelden voor transportbrandstoffen, maar ook voor de biomassa die in de elektriciteitscentrale wordt bijgestookt of elders in de bio-based economy (bijvoorbeeld chemie) wordt ingezet.
- Innovatie. Neem ongewenste en onbedoelde effecten serieus en stimuleer grotere efficiëntie in de landbouw, het gebruik van reststromen en gedegradeerde gronden. Terzijde geeft de CBD in overweging een kleine heffing op brandstoffen in te voeren (zo’n 2 cent per liter) die voldoende geld kan genereren om wereldwijd het verlies aan biodiversiteit aan te pakken.
In februari 2010 heeft de CBD haar vierde advies opgesteld. Dit advies betreft de bijdrage van biomassa in de duurzame energiedoelstellingen. De CDB stelt dat grootschalige inzet van biomassa vanaf 2020 concurrerend kan zijn met fossiele energie. Naast de positieve effecten hiervan, brengt dit ook grote duurzaamheidsrisico’s met zich mee. De CDB adviseert daarom om niet nu de doelstelling voor 2020 hoger te zetten dan de minimale 10 procent maar om prioriteit te geven aan het investeren in de kwaliteit en de duurzaamheid van de in te zetten biomassa. Verder adviseert de CDB om het beleid in 2014 te actualiseren en eventueel dan de doelstelling voor 2020 te verhogen, afhankelijk van de ontwikkeling van duurzaamheidskaders en geavanceerde technologieën.
Wijzigingsdatum | 10-03-2010
|
|